Koningin Wilhelmina | * 31 augustus1880 – † 28 november 1962

wilhe;mina - 01

De geboorte van Wilhelmina Helena Pauline Maria, prinses van Oranje-Nassau, op 31 augustus 1880 in paleis Noordeinde in Den Haag, leek meteen de redding van de Oranje-dynastie. Wilhelmina werd geboren uit het tweede huwelijk van haar vader Koning Willem III  met prinses Emma van Waldeck en Pyrmont; geboren op 2 augustus 1858 in het Duitse stadje Arolsen2 augustus 1858 in het Duitse stadje Arolsen.

Uit het eerste huwelijk van koning Willem lll waren – op het moment van zijn verbintenis met prinses Emma – nog twee kinderen in leven, maar de verhouding tussen de vader en zijn zonen was bijzonder slecht. De koning wilde geen toestemming geven voor het voorgenomen huwelijk van zijn oudste zoon Willem, waarop deze boos vertrok naar Frankrijk. In 1879 overleed de kroonprins plotseling in Parijs. Prins Alexander was ziekelijk en depressief en leek voor het koningschap totaal ongeschikt. Hij overleed in 1884.

Omdat de drie zonen uit het eerste huwelijk van koning Willen III allemaal reeds overleden zijn, wordt hij na zijn overlijden opgevolgd door zijn dochter Wilhelmina. Omdat prinses Wilhelmina bij het overlijden van haar vader nog minderjarig is, regeerde Koningin Emma van 23 november 1880 tot en met 6 september 1898 uit naam van haar minderjarige dochter, als Koningin-Regentes.

Ook daarna drukte zij een belangrijk stempel op het Nederlandse koningschap. Zij bleef de belangrijkste vertrouweling van de jonge wilhe;mina - 03koningin Wilhelmina. Deze Oranje-vrouwen vormden het Oranjehuis om tot een nationaal instituut. Door haar beminnelijk en verstandig optreden heeft de koningin Emma, die vanaf de kroning van koningin Wilhelmina ‘koningin-moeder’ wordt genoemd, zeer zeker bijgedragen tot de versterking van de positie van de monarchie in Nederland. Zij overleed op 20 maart 1934; in Nederland zeer bemind. Het Groot- Hertogdom Luxemburg treedt in 1898 uit het Koninkrijk der Nederlanden. De reden hier is geweest dat een vrouwelijk staatshoofd voor hen niet acceptabel is.

Koning Gorilla

Willem III had als koning de Oranje-dynastie veel schade toegebracht. Zijn driftbuien en woest temperament, gecombineerd met zijn rijzige gestalte, forse baard en zware stem leverden hem de bijnaam Koning Gorilla op. Er werd schande gesproken van de grove manier waarop hij zijn eerste vrouw, de begaafde prinses Sophie van Wurtemberg – 1818 – 1877 – had behandeld. In brede kring werd aangenomen dat de koning, als nakomeling van de krankzinnige Russische tsaar Paul I, geestelijk niet helemaal in orde was. Het huwelijk van de 62-jarige vorst met de jonge prinses leek hem goed te doen. Wilhelmina vermeldt in haar herinneringen ‘Eenzaam maar niet alleen’ enkele tedere herinneringen aan haar vader, die overleed toen zij 10 jaar oud was.

De opvoeding in de Kooi

wilhe;mina - 11De opvoeding van Wilhelmina werd zeer strak in de hand gehouden door koningin Emma. In het licht van de problemen met haar halfbroers – de prinsen Willem en Alexander – mocht deze opvoeding niet mislukken. Het hofleven heeft zij in haar memoires gekarakteriseerd met de omschrijving ‘de kooi’. Pas na de troonopvolging als koningin kreeg Wilhelmina af en toe de gelegenheid een kijkje te nemen buiten ‘de kooi’ en in contact te komen met ‘het volk’. Het was duidelijk dat de prinses zo snel mogelijk op haar toekomstige taak als vorstin moest worden voorbereid, daar haar vader reeds bejaard was. Op 6 september 1898 werd zij ingehuldigd als koningin in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. De jonge koningin maakte aanvankelijk op velen een uitstekende indruk, niet alleen door haar knappe verschijning, maar ook door haar kennis van zaken en betrokkenheid. Een wereld van verschil met het paranoïde gedrag van koning Willem III. Aan de andere kant was koningin Wilhelmina vanaf het begin een vorstin ‘tussen verleden en toekomst’.

Inhuldigingsrede op 6 september 1898

Mijne Heeren, Leden der Staten-Generaal,

Reeds op jeugdigen leeftijd heeft God Mij door het overlijden van Mijnen onvergetelijken Vader tot den Troon geroepen, dien Ik onder het zoo wijze en zegenrijke Regentschap Mijner innig geliefde Moeder beklom. Na vervulling van Mijn achttiende levensjaar, heb Ik de regeering aanvaard; Mijne proclamatie heeft dit aan Mijn dierbaar Volk bekend gemaakt.

Thans is de ure gekomen, waarin Ik Mij, te midden van Mijne trouwe Staten-Generaal, onder aanroeping van Gods heiligen Naam, zal verbinden aan het Nederlandsche Volk, tot instandhouding van zijne dierbaarste rechten en vrijheden. Zoo bevestig Ik heden den hechten band, die tusschen Mij en Mijn volk bestaat, en wordt het aloude verbonden tusschen Nederland en Oranje opnieuw bezegeld. Hoog is Mijne roeping, schoon de taak, die God op Mijne schouders heeft gelegd. Ik ben gelukkig en dankbaar het Volk van Nederland te mogen regeeren, wilhe;mina - 02een volk klein in zielental, doch groot in deugden, krachtig door aard en karakter. Ik acht het een groot voorrecht, dat het Mijne levenstaak en plicht is al Mijne krachten te wijden aan het welzijn en den bloei van Mijn dierbaar Vaderland. De woorden van Mijnen beminden Vader maak ik tot de Mijne: ,’Oranje kan nooit, ja nooit genoeg voor Nederland doen.’’

Bij de vervulling van Mijne taak heb ik Uwe hulp en medewerking noodig, Mijne Heeren, Leden der Volksvertegenwoordiging; Ik ben overtuigd dat Gij Mij die in ruime mate zult verleenen. Laat ons samen arbeiden voor het geluk en den voorspoed van het Nederlandsche Volk. Dat zij Ons aller levensdoel! God zegene Uwen en Mijnen arbeid, dat strekke tot heil van Ons Vaderland’.

Daarna hief koningin Wilhelmina haar hand omhoog en legde de volgende eed af: ‘Ik zweer aan het Nederlandsche volk, dat Ik de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven. Ik zweer dat Ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des Rijks met al Mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat Ik de algemeene en bijzondere vrijheid en de rechten van alle Mijne onderdanen zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart zal aanwenden, welke de wetten te Mijner beschikking stellen, zooals een goed Koning schuldig is te doen. Zoo waarlijk helpe Mij God almagtig’.

wilhe;mina - 04Wilhelmina kon moeilijk wennen aan de grondwettelijke beperkingen van haar koninklijke macht

Ook zij kon, evenals haar vader, maar moeilijk wennen aan de grondwettelijke beperkingen van haar koninklijke macht. In Rusland en Duitsland was rond 1900 het goddelijk gezag van de aan het Oranjehuis verwante dynastieën van de Hohenzollern en de Romanovs nog onaangetast.

Koningin Wilhelmina geloofde rotsvast in het hechte verbond tussen God, Vaderland en Oranje. Zij beschouwde het bij uitstek als haar taak die band te handhaven en, in tijden van crisis, te verstevigen, ‘omstraald door God en de historie’. Daarbij vond ze inspiratie in die Oranjes die het Vaderland in beslissende momenten de reddende hand hadden toegestoken. Willem van Oranje en koning Willem I waren haar grote voorbeelden. Op veel momenten trad koningin Wilhelmina duidelijk op de voorgrond, ook wanneer het ging om politiek gevoelige zaken. Zo was ze fel gekant tegen het Engelse ingrijpen in Zuid-Afrika ten koste van de Transvaalse boeren en zond ze een Nederlands oorlogsschip om Boerenleider Paul Kruger naar Europa te brengen. Wilhelmina ontving hem op paleis Het Loo en steunde Paul Kruger zoveel als ze kon.

wilhe;mina - 05Militaire belangstelling

Militaire zaken hadden haar grote belangstelling en zij ijverde voor investeringen in de, in haar ogen sterk verwaarloosde, krijgsmacht. Wilhelmina had een uitgesproken voorkeur voor krachtdadig optredende ministers en wanneer een minister in haar ogen tekort schoot, aarzelde ze niet om haar ongenoegen hierover duidelijk te maken. Een van haar favorieten was Hendrik Colijn – ‘een stoere krachtige en bij uitstek nationale figuur -, die als Atjeh-veteraan onder generaal Joannes van Heutsz – ook hij werd door ‘koningin Wilhelmina zeer hoog ingeschat – zijn sporen had verdiend.

Hendrik Colijn slaagde er als minister van Oorlog in – met de Militiewet van 1912 -, zeer naar koningin Wilhelmina’s zin, het leger sterk te vergroten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog – 1914 – 1918 – kon Nederland slechts met de grootste moeite buiten de strijd blijven.

In regeringskringen was men verdeeld over de ware vijand. Er was, als gevolg van de Boerenoorlogen veel anti-Engels sentiment. Aan de andere kant leek het niet waarschijnlijk dat een onafhankelijke Nederlandse staat zou kunnen voortbestaan in het geval van een Duitse overwinning in Europa.

De zaak Cornelis Snijders 

In 1918 wilde de Minister van Oorlog, Cornelis de Jonge, de opperbevelhebber van het leger, generaal Cornelis Jacobus Snijders,vervangen wegens defaitisme en pro-Duitse gevoelens. Koningin Wilhelmina had echter een groot vertrouwen in deze militair en weigerde met ontslag akkoord te gaan.

Cornelis de Jonge dreigde vervolgens dat alle ministers – met uitzondering van Minister-President Cort van der Linden –  zouden opstappen, maar koningin Wilhelmina hield voet bij stuk en de generaal bleef voorlopig. ‘Onze conclusie kan geen andere zijn dan dat zij haar grondwettelijke bevoegdheden en beperkingen uit het oog had verloren’, schrijft Kees Fasseur over deze affaire.

Elke Minister kon normaal gesproken na afloop van zijn regeerperiode rekenen op een koninklijke onderscheiding. Cornelis de Jonge was de enige minister uit het kabinet Cort van der Linden die met lege handen kwam te staan.

Troon leek te wankelen

In november 1918 leek de troon van Wilhelmina te wankelen na een verklaring van socialisten-leider Jelle Troelstra dat de Duitse revolutie niet bij de grens zou stoppen. Al snel bleek echter dat er onvoldoende steun voor een linkse machtsovername was en dat het volk aan ‘de Willemien’ de voorkeur gaf boven ‘de socialen’. In Den Haag en andere grote steden verscheen koningin Wilhelmina, haar man prins Hendrik en prinses Juliana in een open rijtuig dat door enthousiaste – en goed geïnstrueerde – soldaten werd voortgetrokken, toegejuicht door de menigte. De Eerste Wereldoorlog betekende een breuk in de Europese geschiedenis. Het Europa van de Vorsten behoorde voorgoed tot het verleden. Het algemeen kiesrecht bracht de macht definitief in handen van ‘burgerlijke’ regeringen. De Russische revolutie en in het bijzonder de moord op de Russische tsaar en zijn familie, hadden koningin Wilhelmina diep geschokt.

Geen imaginatie en durf

Ook in de jaren twintig en dertig bleef koningin Wilhelmina zich actief met de politiek bemoeien. Vooral tijdens kabinetsformaties liet zij niet na erop te wijzen dat ‘de krijgsmacht niet moest worden ondermijnd, dat een gezantschap bij de paus in Rome ongewenst was en dat de Sovjet-Unie onder geen enkele voorwaarde mocht worden erkend’. Tijdens de crisisjaren ergerde zij zich mateloos aan ‘het slome tempo van de bureaucratie’. In haar herinneringen hekelt zij de politici die het ‘ontbrak aan imaginatie en durf, aan doortastendheid en voortvarendheid en aan de werkelijke wil om een oplossing te vinden’.

Zwijnen-Heintje

In 1934 overleden kort na elkaar koningin-moeder Emma en Wilhelmina’s man prins Hendrik van Mecklenburg. Hij was een voortdurende bron van zorg geweest voor de koningin. De Duitse landsedelman bleek vooral belangstelling te hebben voor de jacht op zwijnen en vrouwen. Koningin Wilhelmina zag zich als gevolge van prins Hendrik’s weinig respectabele levenswandel gedwongen steeds meer te vertrouwen op de diensten van politie-officier François van ‘t Sant. Deze probeerde – als hoofdcommissaris van de Haagse politie – de schandalen die prins Hendrik veroorzaakte zoveel mogelijk glad te strijken. Daarbij ging het onder meer om het betalen van smeergeld aan een chanteur, die wist van het bestaan van een ‘bastaardzoon’ van de prins.

In ‘Eenzaam maar niet alleen’ rept koningin Wilhelmina uiteraard met geen woord over de misstappen van ‘Zwijnen-Heintje’. Zij roemt in het boek zijn werk als voorzitter van het Rode Kruis en zijn belangstelling voor de padvinderij. Tijdens de begrafenis van prins Hendrik werd witte rouw aangenomen. Een teken, aldus koningin Wilhelmina, dat haar beminde echtgenoot was ingegaan tot een nieuw en beter leven.

Koningin ijverde voortdurend op versterking van het leger

Behalve over het rode gevaar was koningin Wilhelmina, in de loop van de jaren dertig, steeds bezorgder geraakt over het bruine gevaar. Ook in dit opzicht verweet ze de politiek te lang ‘geslapen te hebben op het oorkussen van de neutraliteit’. Als vanouds ijverde ze voortdurend voor versterking van het leger. Haar militaire inspecties waren berucht. Koningin Wilhelmina zag er niet tegen op in het openbaar flink uit te halen naar officieren die in haar ogen tekort schoten in hun plicht het Vaderland zo weerbaar mogelijk te maken. Ook de opperbevelhebber van het Nederlandse leger, generaal Izaäk Reijnders, was in haar ogen geen sterke figuur. Toen de generaal in conflict raakte met zijn Minister van Defensie kon Izaäk Reijnders in tegenstelling tot zijn voorganger Cornelis Snijders, niet op steun van de vorstin rekenen. De reeds gepensioneerde generaal Henri Winkelman kwam als opperbevelhebber terug in actieve dienst.

In ballingschap in Engeland

Kort na de Duitse aanval op Nederland op 10 mei 1940 werd het duidelijk dat het Nederlandse leger niet opgewassen was tegen de vijand. Prinses Juliana, Prins Bernhard, en de kinderen werden op 11 mei 1940 naar Engeland overgebracht. Koningin Wilhelmina wilde niet vertrekken, maar trachtte op 13 mei 1940 per schip uit te wijken naar Zeeuws-Vlaanderen. De situatie bleek echter zo onveilig dat de Engelse commandant het verstandiger achtte over te steken naar Londen. Koningin Wilhelmina realiseerde zich dat haar vlucht uitgelegd zou kunnen worden als het in de steek laten van haar volk, maar ze besefte ook dat in de gegeven situatie geen andere oplossing mogelijk was. Liever had zij zich ‘naar de strijdenden aan de Grebbeberg begeven om het lot van de krijgsman te delen en, zoals koning Willem III het uitdrukte, als de laatste man te vallen in de laatste loopgraaf’.

De enige kerel tussen oude wijven is Wilhelmina

De snelle nederlaag van Frankrijk, in juni 1940, deed velen in Europa vrezen dat de Duitse overwinning nog slechts een kwestie van maanden was. Wilhelmina heeft, in ieder geval voor het oog van de buiten- wereld, nooit getwijfeld aan de Duitse nederlaag.

In Engeland maakte zij ‘als enige kerel tussen allemaal oude wijven’ indruk door haar voortvarend optreden. Haar traditioneel krachtdadige aanpak kon in Londen niet door een sterk controlerend parlement worden belemmerd. Zij slaagde erin, in plaats van de zwakke Dirk-Jan de Geer, Pieter Gerbrandy Minister-President te maken. Koningin Wilhelmina wilde het liefst schoon schip maken met een volledig nieuwe ministersploeg – de koningin volledig toegewijd -, maar Pieter Gerbrandy liet het zover niet komen. De zorgvuldig voorbereide radioboodschappen die zij, via de BBC en radio Oranje, de wereld instuurden staken talloze Nederlanders een hart onder de riem. Ook stelde zij veel prijs op het contact met Engelandvaarders, helden naar haar hart, die hun leven hadden gewaagd voor het geliefde Vaderland.

De laatste Troonrede van koningin Wilhelmina op 20 november 1945

De verlate opening van de Staten-Generaal op 20 november 1945 met een duidelijk militair karakter, vond zij de mooiste Prinsjesdag uit haar loopbaan en koningin Wilhelmina zei: ‘Naar mijn oordeel de mooiste opening der Staten-Generaal die er ooit geweest is. Doch ik sta hierin vrijwel alleen’. De tekst van deze Troonrede:

Leden der Staten-Generaal,

Gevoelens van diepe bewogenheid mengen zich met die vreugde en erkentelijkheid nu ik na zes jaren van bittere scheiding weer in uw midden verschijn. Leed en ontbering, nederlaag en ontreddering, maar ook offervaardig en heldenmoed kenmerkten de donkere jaren der Duitsche furie. In smart gedenken wij de tienduizenden Joodsche landgenooten, die werden gemarteld en vermoord, de millioenen Nederlanders en Indonesiërs, wier veiligheid bedreigd, wier levenskracht verteerd en wier zedelijk oordeel werd aangetast.

Wij gedenken daarnaast het verzet tegen den vijand, dat sterke krachten wekte en dat ons thans onze vrijheid als een recht doet aanvaarden. Lijden strijden werkten ook ten zegen. Wij werden ontvankelijker voor gelijke bezinning, meer bereid tot offers, dieper bewust van onze saamhorigheid en vaster besloten onze roeping als natie te verstaan. Te midden der verwoesting liggen hier de krachten voor herstel en vernieuwing en wij gorden ons te zamen aan om de verworvenheden te bewaren en de zwakheden te overwinnen.

wilhe;mina - 20

Te duur hebben wij onze vrijheid gekocht dan dat wij haar nu zouden misbruiken of verspillen. Daarbij denk ik aan de duizenden die vielen in den strijd om het Vaderland, hetzij in onze krijgsmacht, op de koopvaardij of in het verzet. Moge offer inspireerend werken op hen, die gespaard bleven. Met groote voldoening zie ik de succesvolle krachtsinspanning, gericht op de noodvoorziening in de geteisterde gebieden en op het herstel van verkeer en industrie. Wij zijn dankbaar voor de redding van Walcheren en van de Wieringermeer, dankbaar ter wille van deze getroffen landstreken, maar bovenal omdat zij het symbool zijn van herwonnen kracht. In mijn radiorede van 20 Maart 1943 riep ik U allen op tot gezette overweging van herzieningsplannen op staatkundig gebied, waarbij met de veranderde omstandigheden en met de opgedane ervaringen zou zijn te rekenen. Met groote vreugde constateer ik, dat deze oproep grooten weerklank heeft gevonden.

De planner van velen, gesmeed in den bezettingstijd, breken zich thans een weg naar hun verwerkelijking. Zij omvatten niet alleen hervormingen van het staatkundig bestel, maar zijn ook gericht op een nieuwe vormgeving van het maatschappelijke en cultureele leven. In deze worsteling worden de krachten gesterkt en gebundeld, welke thans den aanval hebben ingezet tegen normloosheid en ontwrichting. De overheid heeft bij dit alles slechts een beperkte taak en haar arbeid is alleen dan vruchtbaar, wanneer zij de activiteit der burgers in kerk en gezin, zoowel als in andere levensverbanden positief waardeert.

Met groote zorg vervult mij de ontwikkeling der gebeurtenissen op Java. In gespannen medeleven volg ik het lot der tallooze kinderen, vrouwen en manner, beroofd, in lijfsgevaar of nog onverlost in de dreiging van een verdwaasde massa. Ik versta de gevoelens van bitterheid in de harten van hen, wien al dit onheil in onrecht is aangedaan. Ik betreur diep het leed dat tot aan het herstel der orde over Java’s bevolking onvermijdelijk zal komen. Toch blijven wij pogen voor Nederlanders en Indonesiërs in dit thans geteisterde land de toekomst te redden, de toekomst van een Gemeenebest, gebouwd op de vrijwillig aanvaarde saamhoorigheid der Rijksdeelen. Geen wraakoefening staat ons voor oogen, noch de vestiging eener koloniale overheersching, doch wij houden ons er van overtuigd, dat slechts de gemeenschap onzer volkeren, hier en overzee, een waarborg biedt voor aller harmonische ontwikkeling, veiligheid en blijvende welvaart. Daartoe de mogelijkheid te scheppen is de groote krachtsinspanning waard, die te dien einde van ons volk zal worden gevergd. Moge het ons spoedig gegeven zijn, de grondgedachten, die ik reeds schetsmatig ontwikkelde in mijn radiorede van 7 December 1942, langs constitutioneelen weg tot volle werkelijkheid te zien worden. Ik weet, dat Nederland bereid is, onbaatzuchtig mede te werken aan de totstandkoming van een nieuwen status van ons Koninkrijk. Het spoedige bijeenkomen van de Rijksconferentie blijf ik daarom bevorderen. Vol bewondering ben ik voor het groote aandeel van Suriname en Curacao zoowel in de oorlogvoering van het Koninkrijk als in de hulpverleening aan Nederland. De nationale gevoelens van de bevolking van deze gebiedsdeelen zijn in de afgeloopen jaren op ondubbelzinnige wijze tot uitdrukking gekomen en zullen zonder twijfel op de aanstaande Rijksconferentie als een kracht ten goede medewerken.

Ten aanzien van onze betrekkingen met het buitenland valt in de eerste plaats met groote waardeering te gewagen van den steun, dien wij na de bevrijding uit verschillende landen in onzen tijdelijken nood ondervonden. De roof, gedurende de bezetting op ons volk gepleegd, heeft een afhankelijkheid op velerlei gebled ten gevolge gehad, die voorloopig onze internationale handelsbetrekkingen sterk beinvloedt. Moge de eendrachtige vredesinspanning van ons volk dit tij weldra doen keeren. Met de verbonden landen zijn de betrekkingen hartelijk, in weerwil van de moeilijke problemen, die gezamenlijk moeten worden opgelost en waaromtrent, naast veel overeenstemmend inzicht, ook verschil van meening mogelijk is.

De totstandkoming van de Vereenigde Naties wettigt de verwachting, dat deze nieuwe poging tot vrede door organisatie en overleg ook in moeilijke omstandigheden met kracht zal worden volgehouden. Ook al zij n niet al onze wenschen ten aanzien van deze organisatie bevredigd, toch zal mijn regeering met kracht haar medewerking verleenen aan de voorbereiding en werking van alle organen der Vereenigde Naties. Met betrekking tot den geslagen vijand spant de regeering zich in, onze belangen overal, waar zulks mogelijk is, met de meeste kracht te bepleiten. In Duitschland ving de Nederlandsche militaire missie haar arbeid aan, terwijl het eveneens tot tevredenheid stemt, dat Nederland is vertegenwoordigd in het Adviseerend Comité voor het Verre Oosten, dat te Washington zetelt.

Nederland dient in staat te zijn, in internationaal verband naar vermogen bij te dragen tot de handhaving van de rechtsorde. Daartoe zal met kracht comité worden gewerkt aan den wederopbouw van de Koninklijke Marine, welke in den oorlog zulke zware offers bracht, terwijl de Koninklijke Landmacht doeltreffende wijze wordt gereorganiseerd. Maatregelen zijn in voorbereiding ten einde in het voorjaar van 1946 een jaarklasse dienstplichtigen in werkelijken dienst op te roepen.

Ten behoeve van de ontwikkeling van de militaire en van de burgerlijke luchtvaart wordt een centrale dienst ingesteld, die alle gemeenschappelijke belangen zal behartigen. Het is mij een behoefte uiting te geven aan het ernstig streven mijner regeering, om Nederland te doen herleven als een rechtsstaat, waarin rechtszekerheid en vertrouwen in de rechterlijke organen volledig zullen zijn hersteld.

Een snelle en rechtvaardige berechting van de politieke delinquenten beschouwt de regeering als een dringende zorg. Het ligt in het voornemen om de bevoegdheden tot opsporing en aanhouding op dit gebied weldra toe te vertrouwen aan de normale politie-organen. Bij het ongedaan maken van onrecht, tijdens de bezetting gepleegd, is voor den Raad voor het Rechtsherstel een belangrijke functie weggelegd. De regeering heeft het zich tot taak gesteld, om hetgeen in strijd met onze rechtsopvattingen aan den bezetter herinnert, uit onze wetgeving te verwijderen en door nationale voorschriften te vervangen. Gestreefd wordt naar een snelle voltooiing van de noodzakelijke zuivering van de overheidsorganen.

De regeering zal een Staatscommissie instellen tot voorbereiding van een wijziging van de Grondwet, welke zonder twijfel van de eerder genoemde voorbereidende studies, waartoe de bezettingstijd velen opwekten, zal profiteeren. De arbeid dezer commissie zal voor de onderwerpen, welke de verhouding tot de Overzeesche Gebiedsdeelen raken, verband moeten houden met dien der reeds genoemde Rijksconferentie.

De herziening van de financieele verhouding tusschen het Rijk en de gemeenten heeft de bijzondere aandacht der regeering. Herstel van de financieele zelfstandigheid der gemeenten als einddoel staat hierbij voor oogen. Het vraagstuk der gemeentelijke indeeling heeft mede haar aandacht.

De financieele toestand kenmerkt zich door de noodzaak van zeer groote uitgaven. Voor mijn verarmde land, dat reeds onder een zeer zware Staatsschuld gebukt gaat, beteekent dit alles een centenaarslast. Het streven zal er bij voortduring op zijn gericht een doelmatige besteding der gelden te verzekeren en de onvermijdelijke heffingen zoo billijk mogelijk te verdeelen. De zuivering van het geldwezen, zal ten spoedigste door een gezondmaking van de begrooting worden gevolgd. Door het opnemen van buitenlandsche leeningen zal het tekort op de betalingsbalans worden aangevuld, tot deze door een hervatting van den uitvoer en van het internationale dienstbetoon weer in evenwicht zal komen. Een overzicht van ’s lands financiën en ingrijpende belastingplannen, die er mede op gericht zuhen zijn om de loopende lasten op het bedrijfsleven te verlichten, zullen binnenkort aan de volksvertegenwoordiging worden aangeboden.

De regeering is voornemens het gelukkig reeds ingetreden herstel van industrie, handel en scheepvaart met kracht te blijven bevorderen, zoowel ten aanzien van de binnenlandsche productie als van den export. Reeds werden handelsverdragen afgesloten met eenige staten, terwijl verdere onderhandelingen gaande zijn. De industrieele ontwikkeling van het land – waarbij groote aandacht zal worden geschonken aan het wetenschappelijk onderzoek – zal verder worden geleid, uitgaand van een algemeen nationaal welvaartsplan, waarvoor de grondslagen thans worden gelegd.

Land- en tuinbouw nemen in dit plan een belangrijke plaats in. Met groote kracht wordt gewerkt aan het herstel van deze primaire bestaansbronnen van ons volk, zoowel ten behoeve van de verzekering onzer voedselvoorziening als van een voor de volkshuishouding onmisbaren export. De regeering streeft er naar, de organisatie van de boeren een belangrijke taak te doen vervullen in de regeling van productie en afzet en tegelijkertijd een grootere mate van vrijheid in eigen bedrijfsvoering mogelijk te maken. In voorbereiding zijn wetsontwerpen tot regeling der bedrijfsorganisatie, waaraan zoowel cen economische als een sociale taak zal worden toevertrouwd.

Beheersching van de ontwikkeling van prijzen en loonen en het scheppen van verhoudingen, waarbij het levensonderhoud voor allen gewaarborgd is, is een van de doeleinden, waarop de economische en sociale politiek wordt gericht. Voorwaarde voor een verruiming van het levenspeil is daarbij opvoering der productie, zoowel door voller bezetting der bedrijven als door verhooging der arbeidsproductiviteit.  Op den grondslag van een reeds in Londen tot stand gekomen rapport wordt een herziening der sociale verzekering uitgewerkt, die deze van arbeidersverzekering zal doen uitgroeien tot een algemeene volksverzekering, in de eerste plaats ten einde te komen tot cen betere verzorging voor den ouden dag. De gezondheidstoestand van ons volk, die ernstig heeft geleden onder de gevolgen van de bezetting, zal groote waakzaamheid en krachtige maatregelen eischen. Ten einde het de bevolking mogelijk te maken het groote tekort aan dekking, kleeding en schoeisel aan te vullen, wordt overwogen om, waar noodig, consumptiecredieten te verstrekken in de mate, waarin deze goederen beschikbaar komen.

In het jaar 1946 zullen de 300.000 licht beschadigde en de 40.000 zwaar beschadigde woningen definitief worden hersteld. Daarnaast zullen 10.000 nieuwe woningen worden gebouwd, terwijl het drievoudige van het hiervoor benoodigde materiaal voor den wederopbouw van de industrie en het herstel van het verkeerswezen zal worden gebruikt. De plannen voor volledige bevrediging van de behoeften van volkshuisvesting en industrie worden krachtig ter hand genomen. Wettelijke maatregelen zijn in voorbereiding tot verzekering van de doeltreffende uitvoering van dit bouwprogramma. Ook de wederopbouw van het cultureele leven heeft de volle aandacht der regeering.

Een reorganisatie van het onderwijs, inbegrepen het Hooger Onderwijs, is in voorbereiding. Op de terreinen der kunst en der vrije jeugdvorming zal gestreefd worden naar coördinatie van hetgeen uit de samenleving opkomt. Met groote aandacht volg ik den wederopbouw van de overheidsorganen, zoowel burgerlijk als militair. De herziening van de rechtspositie en de bezoldiging van de ambtenaren is in studie. Moge het resultaat mede tot verbetering van de waardeering van den ambtenaar leiden, zoowel in eigen oog als bij het volk. Meer dan welke overheidsmaatregel ook kan echter hiertoe bijdragen de versterking van het bewustzijn van den ambtenaar, dat de diepste bevrediging in het arbeidsleven voor hem ligt in zijn dienst aan de volksgemeenschap.

Voor het overige wil ik niet pogen een overzicht te geven van alle problemen, die in den komenden tijd Uw aandacht zullen vragen. Zeer veel is in het leven van ons volk nog in beweging, ondanks vermoeidheid en teleurstelling hier en daar. Het vergt beleid van hoog gehalte om eenerzijds de waarde van oude zekerheden en tradities in volle kracht te bewaren en anderzijds ruimte te laten voor een vernieuwing, die niet slechts historisch noodzakelijk is, doch ook de vrucht is van moreele beginning in de jaren der verdrukking. De wegneming van den bezettingsdruk moge de eenheid, die ons deel werd in het verzet, maken tot eendracht in rijker schakeering. De nieuwe krachten, die gewekt zijn, zullen zich blijven opdringen en winnen aan bewustheid en energie. Wij hebben deze meer dan ooit van noode, nu wij gewikkeld zijn in een strijd van even groote hevigheid en beteekenis als die der oorlogsjaren: den strijd om den vrede, om de ware vrijheid en om hernieuwden voorspoed.

Met de bede, dat God mijn volk moge zegenen in dien strijd, dat Hij het in eendracht den weg der overwinning zal doen betreden en Uwen arbeid moge doen strekken tot heil des Lands, verklaar ik de gewone zitting der Staten-Generaal voor geopend.

Vernieuwing

Gaandeweg vatte zij het plan om na de oorlog met een ‘vernieuwd Nederland voor de dag te komen. De oude defaitistische partijen, de twistzieke scheurmakers uit het verleden, konden maar beter verdwijnen en plaats maken voor een sterk uitvoerend gezag waarin een vooraanstaande rol zou zijn weggelegd voor de kroon en de leiders van het verzet. Bij de verkiezingen 16 mei 1946 bleek echter dat het Nederlandse volk de voorkeur gaf aan een gedeeltelijke terugkeer naar de oude maatschappij. Voor koningin Wilhelmina betekende dit een enorme teleurstelling. Zij had gehoopt – geheel in de lijn van de zwart-wit tegenstellingen die zij altijd hanteerde – dat de overwinning van ‘het goede’ zijn weerslag zou krijgen in een volledig nieuw staatsbestel, volledig gezuiverd van ‘kwade’ elementen. In ‘Eenzaam maar niet alleen’ richt zij zich nog eens bijna verontschuldigend tot de leden van het verzet of hun nabestaanden en houdt hen voor dat hun ‘hoge waarden als het ware klaar en in bewaring liggen om opnieuw ons volk te bezielen, indien de omstandigheden daarom mochten vragen’.

Koningin Wilhelmina: ‘Ik ga weg’

‘Ik ga weg’ sprak koningin Wilhelmina in mei 1948 kortaf tegen minister-president Beel. Ze zag, zo liet ze weten, vooral op tegen de viering van haar vijftigjarig regeringsjubileum en wilde ook betrokkenheid bij een nieuwe kabinetsformatie ontlopen. Vanzelfsprekend was koningin Wilhelmina moe. De jaren in ballingschap, haar voortdurende zorg en aandacht voor de gebeurtenissen in het bezette vaderland en de mislukte vernieuwing hadden haar geestelijk uitgeput.

Tot haar grote teleurstelling weigerden de Ministers Louis Beel en Willem Drees hun medewerking te verlenen aan een snelle regeringswisseling. De feestelijkheden bleken onontkoombaar. Uiteindelijk werd besloten tot een soort overgangsregeling waarbij prinses Juliana de zaken zou waarnemen en koningin Wilhelmina tot aan haar verjaardag op 31 augustus 1948 rust zou krijgen, om kort daarop af te treden.

Op 4 september 1948 deed Wilhelmina in het Paleis op de Dam in Amsterdam officieel afstand van de troon. De jaren daarna bracht – nu weer prinses – Wilhelmina door op paleis Het Loo in Apeldoorn, omringd door een kleine groep getrouwe bedienden. Sommigen waren al generaties lang in dienst van de Oranjes.  Uit het slot van ‘Eenzaam maar niet alleen’ blijkt een toenemende betrokkenheid bij de godsdienst: ‘opeens werd ik aangeraakt door die liefde voor de ganse mensheid, welke uit Christus zelf voortkomt’. Bij de watersnoodramp van 1953 liet ze zich – zoals ze dat altijd bij rampen en onheil had gedaan – onmiddellijk overbrengen naar het rampgebied om zich te verdiepen in de toestand ter plekke en te spreken met slachtoffers. Het was haar laatste openbare optreden als Moeder des Vaderlands.

Overlijden op 28 november 1962

Prinses Wilhelmina sterft op 28 november 1962 als koningin in haar paleis Het Loo in Apeldoorn. Volgens haar eigen wens werd ze in een witte koets naar de koninklijke grafkelder in de Nieuwe Kerk in Delft gebracht.

De begrafenis was niet alleen bijzonder vanwege de stijl, maar ook omdat het de eerste koninklijke begrafenis was die grootschalig en rechtstreeks op televisie werd uitgezonden. Na afloop van het publieke gedeelte werd koningin Wilhelmina de grafkelder ingedragen, waar de familie zonder camera’s in stilte afscheid kon nemen.

Een dynamische vrouw die 50 jaar als koningin staatshoofd is geweest van het Koninkrijk der Nederlanden en twee wereldoorlogen meemaakte is afgemeerd in de haven van de eeuwigheid. De volgende woorden zijn van koningin Wilhelmina: ‘God, Vaderland en Oranje’

Welkom bij het Holland Magazine