EU | Uittreden Nederland is economische zelfmoord

Steeds vaker merken wij Nederlanders dat besluiten van de Europese Unie | afgekort: EU | hun invloed hebben op het dagelijkse leven in Nederland en daarmee natuurlijk ook in de andere aangesloten landen. Landbouwers, milieuorganisaties, werkgevers- en werknemersorganisaties, consumentenbonden en besturen van economisch achtergebleven provincies, allemaal gaan ze naar Brussel.

Ze willen subsidie, ze willen nieuwe regelgeving, ze willen voorgenomen besluiten tegenhouden. Er is nog steeds een machtsverschuiving gaande van het bestuur in Den Haag naar de EU. De kritiek hierop wordt luider en luider. Toch is de EU inmiddels niet meer weg te denken is uit de dagelijkse politieke praktijk. Maar er was een tijd dat de EU er nog niet was.

In 1951 richtten zes landen | Frankrijk, Duitsland, Italië, België, Nederland en Luxemburg | de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal | afgekort: EGKS | op. De kolen- en staalindustrie van de zes landen werd onder gemeenschappelijk beheer geplaatst van de EGKS. De staten stonden op deze manier een klein stukje soevereiniteit af. Voor het eerst was er | zes jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog | sprake van een wijze van samenwerking en besluitvorming in politieke gemeenschappen bestaande uit verschillende landen.

In 1957 werden in het Verdrag van Rome de Europese Economische Gemeenschap | afgekort: EEG | en Euratom opgericht. De belangrijkste doelstelling is de gemeenschappelijke markt: één economische Europese zone zonder heffingen, beperkingen en valutaproblemen.

Al die tijd is er verschil van mening gebleven tussen nationale regeringen van de lidstaten die streefden naar politieke eenheid en nationale regeringen die het wilden laten bij een economische eenheid. Meer bekend onder naam de gemeenschappelijke markt.

Intussen werden steeds meer landen lid van de EEG: naast de zes landen die de EEG op hadden gericht traden Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken toe in 1973 toe. Gevolgd in 1981 met Griekenland en Spanje. In 1986 Portugal en Oostenrijk. En Zweden en Finland in 1995. En werden de bevoegdheden van de EEG uitgebreid. Op 1 mei 2004 vond de grootste uitbreidingsronde in de geschiedenis van de EU plaats. Tien landen werden lid van de EU en deze zijn: Estland, Letland, Litouwen, Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Slovenië, Malta en Cyprus.

Per 1 januari 2007 zijn ook Bulgarije en Roemenië toegetreden tot de EU. En sinds 1 juli 2013 is ook Kroatië lid van de EU. De EU omvat nu 28 lidstaten. Groot-Brittannië, die is toegestreden in 1973 is voornemens om na 46 jaar de EU weer te verlaten. Het plan is geweest dat het land eind maart 2019 zou uittreden maar in het Britse parlement is geen overeenstemming te bereiken over de manier waarop uitgetreden moet gaan worden.

Door de economische recessie werd in 1986 met de Europese Akte een grote stap gemaakt op weg naar de gemeenschappelijke markt. Daarin presenteerde de Europese Commissie plannen om vóór 1993 alle barrières van de binnengrenzen weg te nemen en de interne markt te realiseren. In 1986 werd in de Europese Akte ook de besluitvorming van de EEG versoepeld.

Lang niet alle besluiten hoefden unaniem te worden genomen. Een meerderheid van de stemmen was nu vaak voldoende. In 1992 werd het Verdrag van Maastricht ondertekend. Met dit Verdrag werd zowel de economische als politieke integratie verder verdiept. In het Verdrag van Maastricht is onder meer de Economische en Monetaire Unie | afgekort: EMU | opgericht, het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid | afgekort: GBVB |, en is besloten dat in 2002 de euro zou worden ingevoerd als gemeenschappelijk betaalmiddel.

Het Verdrag van Maastricht heeft ook een beperkt initiatiefrecht op wetgevend gebied voor het Europees Parlement ingevoerd, waardoor het Parlement nu de mogelijkheid heeft de Europese Commissie te verzoeken een voorstel in te dienen. Sinds het Verdrag van Maastricht in werking is getreden, spreekt men van de EU in plaats van de EEG. In 1997 volgde het Verdrag van Amsterdam.

Burgers kregen het recht op toegang tot documenten afkomstig van de Europese Commissie en het Europees Parlement. Het parlement kreeg op meer beleidsterreinen het laatste woord en bovendien meer invloed op de benoeming van de Europese Commissie. Verder werd fraude met gemeenschapsgeld aangepakt, onder andere door de Europese Rekenkamer en de douanediensten meer bevoegdheden te geven. Met het Verdrag van Nice van 2001 is onder meer de besluitvormingsprocedure over een aantal onderwerpen in de Raad van Ministers veranderd.

Per 1 januari 2002 is in twaalf lidstaten van de EU de nationale munt vervangen door de euro. Inmiddels hebben negentien landen de euro. Door de invoering van de euro is één monetair beleid nodig en dat wordt gevoerd door de Europese Centrale Bank | afgekort: ECB |. De ECB is daarmee een zeer machtig orgaan geworden en besluiten van de bank kunnen veel gevolgen hebben voor het economische leven binnen en buiten de EU.

Op 1 december 2009 is het Verdrag van Lissabon in werking getreden. Dit verdrag moet de Europese Unie makkelijker laten functioneren en de burger meer betrekken in de besluitvorming op Europees niveau. Het verdrag van Lissabon is voornamelijk een verbetering en verduidelijking van eerdere verdragen. Zo is bijvoorbeeld de wijze waarop de EU werkt vereenvoudigd. Ondanks deze vereenvoudiging blijft de EU een langzaam werkende organisatie en het nemen van besluiten duurt doorgaans vreselijk lang. Besluiten worden vaak genomen in het voordeel van de grote landen en de kleinere landen hebben vaak het nakijken. Dat vergroot nog steeds de weerstand tegen de EU.

Elke vijf jaar worden er verkiezingen gehouden voor het Europees Parlement. Er zijn ongeveer 375 miljoen stemgerechtigden. De verkiezingen voor het Europees Parlement | afgekort: EP |zijn eigenlijk 28 nationale verkiezingen voor een Europees orgaan. De bedoeling is dat burgers stemmen op wie hen in het EP zal vertegenwoordigen. Volgens EU-regels moeten de Europarlementariërs in alle lidstaten worden gekozen op grond van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Sommige landen hebben kiesdistricten zoals België, Frankrijk, Ierland, Italië en het Verenigd Koninkrijk. De overige landen vormen één groot kiesdistrict. De lidstaten mogen een kiesdrempel van maximaal 5% instellen. Twaalf landen maken gebruik van deze mogelijkheid. De kiesdrempel in deze landen ligt tussen de 1,8% en 5%. De meeste landen houden de verkiezingen volgens lijstenstelsels, waarbinnen variaties mogelijk zijn, bijvoorbeeld voorkeurstemmen.

Ierland, Malta en Noord-Ierland werken met een personenstelsel, en wel met de één enkele overdraagbare stem. Luxemburg kent nog een variant hierop. Vier EU-landen hebben opkomstplicht, te weten België, Luxemburg, Griekenland en Cyprus. Tijdens de Europese verkiezingen wordt gestemd op een nationale politieke partij. In het Europees Parlement maken deze partijen deel uit van één van de acht Europese fracties. Deze fracties zijn niet gevormd op basis van nationaliteit maar op politieke kleur. Dit zijn alle acht Europese fracties: Europese Volkspartij, Progressieve Alliantie van Socialisten en Democraten, Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa, Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie, Europese Conservatieven en Hervormers, Europees Unitair Links/Noords Groen Links, Europa van Vrijheid en Directe Democratie, Europa van Naties en Vrijheid, Naast de acht Europese fracties zijn er ook nog enkele losse fracties.

Op donderdag 23 mei en zondag 28 mei 2019 zijn er Europese Verkiezingen. De meest gehoorde kritiek op de EU is dat het instituut ondemocratisch is. Besluiten worden in besloten bijeenkomsten genomen door de regeringsleiders van de nu nog 28 lidstaten en de Europese Commissie | het dagelijks bestuur van de EU | voert ze vervolgens uit. De invloed van het EP, het controle-apparaat, is nog niet optimaal. Toch krijgt het parlement steeds meer te vertellen. Aanvankelijk was het slechts een adviesorgaan. Een beetje democratisch werd het pas in 1979, toen de leden voor het eerst rechtstreeks werden gekozen door de inwoners van de lidstaten. De grootte van het land en het inwoneraantal bepalen hoeveel zetels voor elke lidstaat beschikbaar zijn. Nederland heeft 26 zetels van de in totaal 751 zetels. Het parlement is in de afgelopen 35 jaar uitgegroeid tot een redelijk echte volksvertegenwoordiging.

Het heeft de bevoegdheid om samen met de regeringsleiders wetten te maken, zoals Eerste en Tweede Kamer in Den Haag dat doen in samenwerking met het kabinet. Het EP is mede-wetgever op terreinen als zoals economisch bestuur, immigratie, energie, vervoer, milieu en consumentenbescherming. Ook de begroting van de EU moet door het parlement worden goedgekeurd.

Voor de tweede keer mag het EP een voordracht doen voor het voorzitterschap van de Europese Commissie. De leiders van de grootste fractie in het EP maakt de grootste kans op die voordracht. De centrumrechts met christen-democraten en de sociaal-democraten strijden nek-aan-nek wie de grootste wordt. Het recht op voordracht lijkt leuk, maar zegt nog helemaal niets over de benoeming.

Het zijn uiteindelijk de regeringsleiders die beslissen wie de voorzitter van de Europese Commissie wordt. Het is niet uit te sluiten dat de regeringsleiders hun eigen gang gaan, zeker als het parlement niet in ruime meerderheid achter hun kandidaat staat. Met andere woorden de regeringsleiders kunnen het EP buitenspel zetten. En alsdan is de vraag gerechtvaardigd of er sprake is van democratie binnen de EU of dat het geheel ondemocratisch is.

Europarlementariërs hebben sinds 1 juli 2018 een bruto maandsalaris van € 8,757,70 Na aftrek van de Gemeenschapsbelasting | 20% tot 30% van het bruto maandsalaris | en een bijdrage voor de ongevallenverzekering houden Europarlementariërs € 6.824,85 over.

Verder hebben Europarlementariërs recht op onbelaste onkostenvergoedingen. De maandelijkse vergoeding voor algemene uitgaven is vastgesteld op het vaste bedrag van € 4.416,00. Hieruit worden leden van het Europees Parlement geacht uitgaven in hun land van herkomst te betalen, zoals kosten voor onder andere kantoorruimte en kantoorartikelen. Na overlegging van de vereiste bewijsstukken worden reis, accommodatie en bijkomende kosten vergoed tot een maximum van circa € 363,00 per maand of te wel € 4.358,00 per jaar. Ook krijgen Europarlementariërs tweederde van hun medische kosten vergoed. Hiernaast ontvangen de leden van het EP een verblijfsvergoeding van € 313,00 voor elke dag van aanwezigheid op officiële vergaderingen en dat kan oplopen tot bruto maximaal € 6.782,00 per maand. Een parlementslid kan deze vergoeding alleen krijgen als de presentielijst getekend is. Een Europarlementariër | ongeacht uit welk land men afkomstig is | heeft financieel geen klagen en mag op 63-jarige leeftijd met pensioen met behoud van 70% van zijn salaris.

Er zijn veel zaken waar menige Nederlanders maar ook andere Europeanen kritiek op hebben als het over de EU of het EP gaat. Het lidmaatschap van de EU brengt niet voor iedere lidstaat dezelfde voor- en nadelen met zich mee. De meningen over de voor- en nadelen van het lidmaatschap verschillen niet alleen per lidstaat, ook binnen lidstaten zijn de meningen verdeeld. Bovendien meet de Europese Commissie met twee maten, hetgeen op veel weerstand kan rekenen. Door het lidmaatschap van de EU kunnen de regeringen van de lidstaten niet langer over alle onderwerpen zelf beslissen en zijn er regels waar alle lidstaten zich aan moeten houden. Dit betekent echter ook dat er allerlei rechten zijn die voor alle burgers van de EU gelden.

Zo willen partijen als de PVV en het Forum van Democratie dat Nederland de EU moet gaan verlaten, terwijl de huidige regering van VVD-CDA-D66-ChristenUnie juist de voordelen van lidmaatschap ziet. Meer dan 75% van onze export gaat naar landen binnen de EU en door de EU hebben twee miljoen Nederlanders een baan. De EU kost de Nederlandse belastingbetaler miljarden euro’s per jaar maar uit de EU treden van Nederland is economische zelfmoord en getuigt van onverantwoord handelen. Veel politieke discussies over de EU gaan over het feit dat lidstaten niet langer op alle beleidsterreinen het zelf voor het zeggen hebben.

Een goed voorbeeld hiervan is het onderwerp pulsvissen dat in Nederland al werd goedgekeurd, maar naderhand werd verboden door de instellingen van de EU. Tegenstanders van de EU vinden dit verlies aan soevereiniteit onacceptabel. Ook voor Nederland geldt dat de discussie over de EU veel aandacht krijgt. De voor- en nadelen verschillen ook hier per regio en per sector. Ook het politieke landschap is verdeeld over de voor- en nadelen. Zo willen partijen als de PVV en het Forum van Democratie dat Nederland de EU moet gaan verlaten, terwijl de huidige regering van VVD-CDA-D66-ChristenUnie juist de voordelen van lidmaatschap ziet. Meer dan 75% van onze export gaat naar landen binnen de EU en door de EU hebben twee miljoen Nederlanders een baan. De EU kost de Nederlandse belastingbetaler miljarden euro’s per jaar maar uit de EU treden van Nederland is economische zelfmoord en getuigt van onverantwoord handelen.

Gaan stemmen bij de Europese Verkiezingen kan iedere Europeaan in vrijheid doen. Het is geen must maar wel aan te raden om gebruik te maken van een democratisch recht in een ondemocratische EU. En de Europese Commissie zal meer democratische besluiten naar het EP moeten overhevelen.

De EU dient democratisch te zijn en niet te worden geregeerd door ambtenaren. Al met al zal de EU en de EP veel slagvaardiger te werk moeten gaan en zal haar populairiteit zien vermeerderen door de lidstaten meer baas in eigen land te laten zijn maar met behoud van de goed lopende interne economische markt.

Welkom bij het Holland Magazine