De beleving van een schipperskind | 1 maart 1962 – 17 juli 1965

schippersinternaat-10

Het begin van een onbekende tijd

Op 1 februari 1962 deelde mijn ouders aan mijn broer en mij – Johannes en Geert de Jonge – mede dat ze de drijvende winkel en de parlevinker in Arnhem hadden verkocht. Dit leven was erg zwaar en ze hadden er ook gewoon geen zin meer in. Bovendien hielden mijn schippersinternaat-01ouders wel van veranderingen in hun arbeidsleven. Mijn moeder en vader waren altijd als schippers geweest. Als kind kon ik mij dat natuurlijk wel herinneren doch Johannes en ik hadden geen idee meer over dat andere leven. Je was al zo gewend om altijd bij je ouders te zijn. Zowel mijn moeder als mijn vader verlangden weer terug naar het schippersleven en wilden weer gaan varen met hun eigen motorschip ‘Alja’.  Dat hield dan wel in dat wij tweeën geplaatst moesten worden op een internaat voor schipperskinderen, die mijn ouders hadden ‘gevonden’ in Rotterdam. Deze plaatsing was voor mij een ingrijpende verandering in mijn jonge leven als negen jarige; ver weg van je vrienden en je vertrouwde omgeving. Van Arnhem naar Rotterdam; van je eigen huis naar een tehuis.

Huisvesting in een Rijnaak

Het schippersinternaat ‘Prinses Irene’ was gehuisvest in een verbouwde Rijnaak, die verankerd lag in de Coolhaven – nabij de Parksluizen, Parkhaven en de Euromast – in Rotterdam. Van gewone stadse jochies werden mijn broer en ik – ondertussen al bewust geworden van het andere ‘huiselijke’ leven – weer echte schipperskinderen. Op een zonnige woensdagmiddag was het uur van de waarheid aangebroken. Johannes stapte probleemloos in de auto. Mijn afscheid van de drijvende winkel, de parlevinker en de Rijnkade in Arnhem was anders. Ik was verdrietig dat ook ik moest gaan en de tranen kregen de vrije loop. Ondanks dat werd toch ook van mij verwacht dat ik in de auto zou stappen om te vertrekken met mijn broer, mijn moeder en mijn vader naar de wereldhavenstad Rotterdam voor een bewogen tijdperk die 1234 dagen zou gaan duren; van 1 maart 1962 tot en met 17 juli 1965. Mijn vader hield ervan om het gaspedaal flink in te trappen – hij reed altijd hard zo dat je geen kans had om de bomen langs de weg te tellen – , zodat de Ford Taunus de familie in bijna zeventig minuten naar Rotterdam had gereden. Nabij de veemarkt werd de auto van mijn ouders aangehouden door controleurs van de wegenbelasting. Wegenbelasting werd altijd trouw en tijdig betaald door mijn vader maar dit keer was meneer het ‘toevallig’ vergeten. Na betaling van de verschuldigde belasting ter plaatse die werd verhoogd met een boete wegens zwart rijden, reed de familie naar het internaat voor schipperskinderen. Even was ik stil en weer verdrietig. Die stilte en verdriet waren er louter en alleen omdat mijn ouders me op het internaat met mijn broer achter zouden laten. Gelukkig zag ik ook leeftijd genoten die al eerder door hun ouders op het internaat waren geplaatst. Ongetwijfeld zal ook ik wel weer vrienden maken, zoals ik er vele had in Arnhem. Ons schip ‘Alja’werd verkocht voor een groter schip. Zij schippersinternaar-11kreeg de naam ‘Stadejo’.

Een mollig mens met strenge ogen

|  Foto: Directrice van het schippersinternaat Prinses Irene in Rotterdam: Zr. A. Stok | De familie werd met open armen ontvangen door de directrice van het schippersinternaat ‘Prinses Irene’, zuster A. Stok’. Een mollig mens met strenge ogen, die zaten verborgen achter een bril. In haar werkkamer serveerde de directrice mijn ouders, mijn broer en mij een kopje thee met een smakeloos koekje van Verkade, die al een lang leven in de koekjestrommel achter de rug had. De benodigde papieren werden snel ingevuld en de hele ceremonie werd afgesloten binnen een kwartier. De directrice zei vervolgens: ‘Jullie zullen je hier wel snel thuis voelen’. Direct daarna kwam het moment waarvoor ik zo stil en verdrietig van was geworden.   ‘Wel, jongens’, zei de directrice,’nu gaan jullie afscheid nemen van jullie ouders’. Hiervoor werden mijn broer en mij nauwelijks de tijd gegeven. Dat ging allemaal zo snel en ook gewoon zo raar. Een hand en een kus van mijn moeder en vader en weg waren mijn ouders en daar stonden Johannes en ik in één van de vele gangen van het schippersinternaat. Mijn broer rustig afwachtend wat er ging gebeuren en ik huilend. De leiding van het ‘gesticht’ – zoals het schippersinternaat vaak werd genoemd – werden dus aangesproken met zuster, zoals in een ziekenhuis. Zo’n zuster kon toch niet de zorg en de liefde geven van je moeder en vader. Toch moest de leiding als zodanig te werk gaan. Al snel werd mij duidelijk dat veel ‘collega’s’ weken en soms maanden niet aan boord van hun ouderlijk schip kwamen. Weken of maanden zonder je moeder en je vader. Van dit soort verhalen kwam bij mij toch een gevoel van angst in me op maar ook van haat. Het gevoel was in ieder geval met dat ‘zuster’ gedoe dat ik was opgenomen, al besefte ik toen die gevoelens niet helemaal.

schippersinternaat-12

Het wasritueel en slapen op het schippersinternaat

| Foto: Slaapzaal met links de stapelbedden en rechts de wasbak | De slaapafdelingen van het schippersinternaat waren gesitueerd in de laadruimte van het schip. De grote slaapzaal van de jongens was voorzien van rijen stapelbedden. De oudste sliep altijd boven en de jongste onder, zo ook ik dus. Alle beneden bedden waren benauwde hokken. In de jongens slaapzaal sliepen 60 jongens met elkaar. Er was ook nog een slaapzaal voor de meisjes. Daar was plaats voor 40 meisjes. Er zat een gammele deur tussen de jongens- en meisjes slaapzalen die de leiding altijd op slot deed, zodat je niet stiekem het vrouwelijk schoon kon bezoeken. Even op ‘visite gaan’ in de nacht was uitgesloten. Rond 19.30 uur was het bedtijd voor groep B van zuster Steenhuis. Ik was in haar groep ingedeeld omdat ik eerst negen jaar was. De ‘leden’ van groep B werden opgeroepen om naar beneden te gaan. Op deze eerste dag in mijn nieuwe omgeving waren mijn gedachten bij mijn moeder en vader, terwijl ik stond te wachten voor mijn bed op nadere instructies. Eigenlijk stond ik te dagdromen en ineens hoorde ik de stem van zuster Steenhuis, die zei: ‘Jongens, allemaal uitkleden en aan de wasbak gaan staan’.

De wasbank – die ook wel ‘wasriolering’ werd genoemd – was ongeveer 20 meter lang en 70 centimeter breed, zodat het aan twee kanten benut kon worden. Na enige minuten in onderbroek en hemd te hebben gestaan, begon zuster Steenhuis – staande op de trap – met luidde stem met de dagelijkse cursus: ‘Hoe je je moet wassen’.

Ze begon met de volgende woorden: ”Kranen openen, washandjes natmaken en zeep er op doen en kranen weer dicht doen’. En vervolgde met: ‘Achter in de nek beginnen, voorhoofd niet vergeten en het verdere gezicht en ook de oksels en de armen’. De wascursus werd besloten met het op commando poetsen van je tanden met het verplichte merktandpasta ‘Prodent’ en het aantrekken van je pyjama. Na dit ritueel was het verplicht om voor je bed te gaan staan tot dat iedereen klaar was. Dat duurde de eerste keer erg lang.  Opnieuw klonk de krachtige stem van zuster Steenhuis door de slaapzaal heen. En ze zei: ‘Iedereen klaar’, dan op de bedden voor het avond gebed’. Dit gebed moest door iedere jongen van groep B hardop worden gebeden en luidde: ‘Ik ga slapen, ik ben moe’; ‘Sluit mijn beide ogen toe’.  ‘Here, hou toch trouw de wacht, tijdens deze nacht’.  ‘Amen’.  Direct na het laatste woord gebood zuster Steenhuis aan iedereen onder de dekens te kruipen en te gaan slapen en ze deed het licht uit. Na ruim een half uur kwam zuster Steenhuis kijken en beveelde me om met mijn gezicht naar de kale wand te draaien – ik moest dus op mijn rechter zij gaan liggen – want dan zou ik wel kunnen slapen.

Tramlijn 15

schippersinternaat-08| Foto: Tramlijn 15 van Centraal Station naar Crooswijk | Het was inmiddels nacht geworden in Rotterdam. De laatste tramlijn 15 – van het Centraal Station naar Crooswijk reed langs het schippersinternaat ‘Prinses Irene’. De slaap – zoals die door zuster Steenhuis was voorspeld – had ik nog niet gevat. Dat kon ook niet want mijn gedachten waren bij moeder en vader, die nog in Arnhem woonden.

Als jongen van negen jaar was ik in het holst van de nacht anders dan voorheen. Niemand kon met me praten in deze nacht. Dat gebeurde thuis in Arnhem ook niet maar op zo’n moment denk je dat wel. Ik vroeg me af of wel iemand aan me zou denken. Dat zal ongetwijfeld, echter Rotterdam en Arnhem lagen meer dan zeventig auto minuten uit elkaar en die afstand kun je op deze leeftijd in je gedachten niet overbrug- gen. Rotterdam was voor mij een wereld vol met grote en kleine mensen, waar ik er nu één van ben. Door het denken en huilen werd de vermoeidheid dusdanig dat ik toch de slaap kon vatten. De dag van morgen zal anders zijn als dat ik gewend was.

De volgende morgen weer dat akelige was ritueel en daarna was het ontbijten. Het derde ritueel van de vroege morgen bestond uit het opmaken van de bedden. Peter, die voor mijn oudste moest doorgaan – hij sliep in het boven bed – had de opdracht gekregen om mij het bedden opmaken te leren. Dit ‘vakmaatschap’ van hoekjes maken, gladstrijken en het afhalen van het bed had ik gauw onder de knie. Thuis maakte je niet of nauwelijks je bed op. Ja, goed als moeder een keer ziek was maar dan toch niet zo uitgebreid als op het schippersinternaat. En na het bedden opmaken en als de tijd het toeliet dan mocht je nog even buiten spelen om aansluitend naar school te lopen.

Aparte school voor schipperskinderen

schippersinternaat-14

Geen gewone school maar een aparte school voor schipperskinderen. Voor kinderen van de vaart bestond er in die tijd geen leerplicht en dus moest je naar een soort privé-school in combinatie met een schippersinternaat. Door de hoge kosten van deze aparte school – op deze school zaten alleen kinderen die waren geplaatst op het schippersinternaat ‘Prinses Irene’ – moesten we twee klassen per jaar doen; de school had 8 klassen. Op een gewone school volgde je lessen van september tot en met half juli en dan werd aangenomen dat je de leerstof beheerste en dan ging je al of niet over naar de volgende klas. Op deze schippersschool moest je in de zelfde periode twee maal de zelfde leerstof verwerken. Daardoor waren de lestijden ook anders dan op een gewone school. Op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag waren de lestijden van 8.30 uur tot 12.00 uur zonder pauze en vervolgens van 13.30 uur tot 15.30 uur; daarna had je 15 minuten pauze. De laatste lessen werden gegeven van 15.45 uur tot 17.45 uur. Op woensdag en zaterdag ging je naar school van 8.30 uur tot 12.00 uur, ook weer zonder pauze. Een kind van de vaart ging met 8 jaar naar het schippersinternaat en school en dan kon je op 12 jarige leeftijd de lagere hebben doorlopen. Dat alles met het besef dat je ouders in 1962 per kind voor de school veel geld op tafel moesten leggen en voor het internaat ƒ 27,50 – gelijk aan € 12,44 – per week; voor 1962 veel geld.

Om 8.15 uur kwam een zuster naar buiten die de kinderen zou gaan begeleiden naar de school. De groep van bijna 100 schipperskinderen stelden zich verplicht op in rijen van vier – met de meisjes voorop – en de zuster gaf het start sein om de ‘wandeling’ naar school te starten. Na ongeveer 10 minuten lopen arriveerde de groep bij de school. Eerst ging je een poort onderdoor en dan kwam je op het schoolplein en dan vervolgens kon je de school inlopen. Er was geen tijd meer om te spelen; er moest geleerd worden. En dus in de banken en wachten op de meester. Iedere klas bestond gemiddeld uit 25 leerlingen, die waren verdeeld over twee klassen. Ik werd ingedeeld in klas 3. Klein van stuk als ik toen was, keek ik tegen een meester op van bijna 2 meter, die erg mager was en ook nog een enge baard had.

Op de eerste morgen dat ik op een schippersschool zat kwam de meester eerst om 8.45 uur in de klas. Hij had zijn koffie nog niet op en daarom moesten de leerlingen even wachten. Hij stelde zich niet eerst voor aan me maar hij begon direct met hele lange godsdienstles. En, ja hoor, daarna stelde hij zich voor aan me en volgden de vakken rekenen en Nederlandse taal. Het cijfer- en taalkundigwerk ging me vrij vlot door het hoofd en de handen. De godsdienstles was voor mij een persoonlijke ramp. Ik had ook niet het idee dat de Bijbelse teksten tot mij doordrongen. De opvoeding thuis was er in ieder geval niet naar geweest. Mijn gedachten waren tijdens de godsdienstles niet bij God maar bij mijn moeder. Naast mij in de bank zat een jongen die net zo oud was als ik en Bennie heette. Hij was de jongste uit een gezin van 9 kinderen en hij was zelfs al oom. Hij vertelde me dat zijn neefje over 2 jaar ook op het schippersinternaat zou worden geplaatst.  Zo jong als je was toch werd ervan je verwacht dat je zelfstandig kon werken. De meester moest ook aan klas 4 aandacht besteden. Of ik veel werk heb gemaakt van het zelfstandig leren op deze eerste morgen kan ik me niet herinneren. Bijna drie en een half uur les was toch wel een hele zit maar gelukkig ging de schoolbel om 12.00 uur. De meester gebood ons de boeken en schriften te sluiten en op te bergen en naar buiten te gaan.

Voor de poort op het schoolplein moesten we direct in rijen van vier gaan staan om gezamenlijk naar het schippersinternaat te lopen en na aankomst direct aan tafel gaan voor de warme maaltijd, die zorgvuldig was bereid door zuster Vos. Het was nog aardig koud en daarom had deze ‘breed gebouwde’ kokkin een soort hutspot gemaakt. Het gerecht bestond uit aardappelen, wortelen, bruine bonen en heel veel uien. De smaak van het eten was niet slecht maar ik heb iets tegen die griezelige uien. Voor en na het eten werd er langdurig gebeden en zoals dat nu eenmaal hoort werden de handen gewassen en door velen werd een bezoek aan het toilet gebracht.

Het vertrek naar school was altijd om 13.15 uur en dat hield in dat je na de middagmaaltijd zo’n 20 minuten over had om je met je vriendjes buiten te vermaken. De middagen duurden altijd verschrikkelijk lang. Het was gewoon afschuwelijk. Tot aan de pauze om 15.30 uur doceerde de meester aardrijkskunde en nogmaals rekenen. Dan was er officieel 15 minuten pauze maar die werd altijd veel langer. Blijkbaar hadden de meesters en de juffrouw ook moeite met de lange schooldagen. Het laatste lange les uur – tot 17.45 uur werd er nog een keer Nederlandse taal gedoceerd.

Vanuit school kwam de hele groep om 18.00 uur aan bij het schippersinternaat na een lange en vooral intensieve ‘werkdag’. Doen en laten waar je zelf zin in had was er niet bij. Het programma stond altijd vast; handen wassen, bidden, brood eten, lezen uit de Bijbel, opnieuw bidden en dan mocht je nog even vertoeven in de eetzaal. Om 19.30 uur werd eerst groep B vriendelijk doch dringend verzoek om naar de slaapzaal te gaan voor het bekende was ritueel en dan in bed. En uiteraard werd je door de zuster een goede maar onpersoonlijke nachtrust toegewenst.

Voor schipperskinderen van het internaat ‘Prinses Irene’ begon het weekeinde op zaterdag om 12.00 uur. Voor deze anderhalve dag vrij waren verschillende mogelijkheden. Als het ouderlijk schip in de omgeving van de wereldhaven Rotterdam was afgemeerd, dan mocht je naar ‘huis’. Lag er geen oproep voor je of was je nog te kort op het internaat – de eerste veertien dagen van je verblijf was het verplicht om te blijven, zodat je kon wennen – dan bood de leiding je een afwisselend programma aan. Op zaterdagmiddag had men het buiten spelen gepland; dat was makkelijk voor de leiding. Ze hadden immers geen omkijken naar de kinderen. Naast kinkeren en andere spelletjes of rolschaatsen, hadden wij ook wel eens zin om ondeugende dingen uit te vreten. En op zondag een tournee naar verschillende kerkdiensten. Mijn broer en ik hadden het na een aantal maanden wel gehad met het gevarieerde programma van de leiding van het schippersinternaat. Onze ouders hadden besloten dat indien het ouderlijk schip m/s Stadejo of  naar Mannie en Piet Sap met het m/s Sadejo niet lag afgemeerd in Rotterdam, mijn broer en ik naar de familie zullen gaan; naar oma en opa in Gouda, een oom en tante in schippersinternaat-13Vlaardingen of naar een alleenstaande tante in Spijkernisse.

Zomerkamp bij de Zandkreek in Hattem

| Foto: Vuurspuwende draak in 1963 | Eens per jaar namen veel schipperskinderen – die verbleven op een internaat – deel aan een zomerkamp in Hattem. Zo ook ik in 1962 met als thema Kaap Karnaval, in 1963 Ridder Gijsbrecht en in 1964 Granman Aboikoni. Het eerste jaar waren er 447 jeugdigen. Elke groep bestond uit circa tien personen. Er werden latrines gegraven met een zeil er omheen en het bekende ‘bezet-vlagje’ er bij. Petroleumlampen in de laantjes zorgden voor de verlichting. Vuilnisbakken uit Rotterdam stonden verspreid in het bos. schippersinternaat-25| Foto: Een groep van de Prinses Irene | Er waren luidsprekers voor de communicatie. En het kamp had in 1962 voor het eerst eigen tafels en banken en een waterleiding op het terrein. De burgemeester van Hattem doopte 1962 het kampgebouw met de door hem uitgekozen naam ‘Zandkreek’ – symboliek voor de ontmoeting van water en land  – met de woorden : ‘Ik doop u, Zandkreek en wens u een behouden vaart!’

Het tweede jaar waren er 441. Bij de opening stond iedereen op het veldje voor de Zandkreek, rondom de vlaggenmast. Er is een soort toneel geplaatst, waarop een tijdmachine en er zijn enkele treden van het amfitheater klaar gemaakt. Professor Zandhapper, nam de schippersjeugd mee naar de Middeleeuwen en zij beleefden avonturen met een vuurspuwende draak, die ’s avonds voorbij kwam daveren. De leidinggevenden kwamen voorbij in historische kostuums. Het derde en laatste jaar kwamen 462 schipperskinderen naar Hattem.

Het thema speelde zich af in Surinaamse; een onderwijzer reisde mee en vertelde over prins, de oerwouden en over zijn korte negerkrul- letjes. Het kamp werd geopend door de toenmalige waarnemend, gevolmachtigde minister van Suriname, en twaalf echte Surinamers speelden het gehele kamp mee. Granman Aboikoni en vele anderen speelden een historie voor de oudgedienden. Het zomerkamp voor schipperskinderen was el kaar dat ik er ben geweest een beleving.

De drollen gingen zo van Adam in de Coolhaven van de Maasstad

schippersinternaat-14In de Coolhaven, vlakbij het ‘gesticht’ lag een oude rijnaak afgemeerd, die werd bewoond door een bejaarde schipper. Tijdens de wandeling naar school zag ik hem altijd aan het werk; het schip een beetje af- spoelen met een puts – een kleine emmer met een touw er aan – of de roef – het woongedeelte van het schip – aan het bijwerken met verf. Het was toch een merkwaardige man.De man zag je alleen. Een vrouw was er kennelijk niet aanwezig op het schip. Ik weet ook niet of het een vrijgezel was of dat zijn echtgenote al was overleden.

Waarschijnlijk had de bejaarde schipper ook geen scheepstoilet aan boord. Moest hij poepen dan werd er een show opgevoerd. De broek en de onderbroek van de kont en het geheel buiten boord laten hangen. De drollen gingen zo van Adam in de haven van de Maasstad en de schipper veegde zijn kont af met krantenpapier van ‘Het Vrije Volk’. En als je in het weekeinde overbleef dan kon je het poepritueel van de bejaarde schippers regelmatig aanschouwen.

Vlakbij het schippersinternaat was een reparatiewerkplaats voor sleepboten gevestigd. Daar lagen stukken ijzer en moeren. Op een zaterdagmiddag zochten Bennie – die inmiddels een goede vriend van me was geworden – en ik een paar staafjes op. We gingen op de uitkijk staan en maar wachten totdat de schipper naar buiten kwam om te poepen. Bennie en ik zeiden tegen elkaar: ‘Wanneer zou die oude man nu eens gaan poepen’. Het duurde toch nog wel een klein uurtje maar het wachten werd beloond. De schipper kwam uit zijn roef naar buiten met in zijn ene hand kranten. Zoals te doen gebruikelijk deed hij de broek en onderbroek naar beneden en liet hij ook nu het geheel buiten boord hangen. Terwijl hij zat te poepen – de man nam echt de tijd ervoor – liepen wij naar het schip toe met de staafjes in onze handen. Eerst dachten we dat hij het in de gaten had maar gelukkig niet. We probeerden een paar staafjes tegen de billen van de bejaarde schipper te gooien; hij keek niet om of misschien heeft hij wel niets gehoord. Echt geraakt hebben Bennie noch ik hem en dat vonden we wel jammer. Moet je je voorstellen dat ons dat wel was gelukt. Dan, ja – dan …… Anderen die ons gezien hadden wilden het later ook proberen en zij schippersinternaat-15hadden meer geluk dan Bennie en ik; maar ook pech. Vier vrienden lukte het wel om de twee billen te raken. Toevallig zag één van de zusters de verrichtingen van hen en dat hebben ze geweten. De vier moesten een week lang voor de kokkin van het schippersinternaat, zuster Bos, dagelijks aardappelen pitten  voor ruim 100 kinderen. Een langdurig karwei.

Muzikale fruitmand op zaterdagavond

De zaterdagavond werd door de leiding van het schippersinternaat ‘Prinses Irene’ totaal vergald. Lang opblijven was er niet bij. Om acht uur moesten we naar bed om uitgerust aan de Dag des Heren te kunnen beginnen. Als er die zaterdag niets noemenswaardig was gebeurd en de directrice, zuster A. Stok, had zin dan draaide ze een paar plaatjes op de pas aangekochte platenspeler annex radio in de slaapzaal. Voor die gelegenheid werd de deur tussen de jongens- en meisjesslaapzaal geopend. Er werden geen eigentijdse nummers gedraaid zoals van The Beatles of The Rolling Stones, zoals die waren te horen op Radio Veronica, de toenmalige zeezender. Nee, de directrice vond het meer passend voor de jeugd dat er geestelijke liederen werden gedraaid ter voorbereiding op de zondag. Het spreekt voor zich dat het enthousiasme van alle overblijvers dan ook snel voorbij was maar gelukkig was dat doorgaans na een half uur afgelopen. De schippersjeugd vond het prettiger om dan maar niets te beluisteren dan uitsluitend muziek à la de muzikale fruitmand. Het stoorde mijn broer, Johannes, in het geheel niet. Van een bouwpakket had hij een AM radio gebouwd en onder de dekens luisterde hij iedere avond naar de actuele muziek van Radio Veronica op de 192 middengolf.

Zondag – De Dag des Heren

Na 12 uur te hebben kunnen ‘genieten’ van een verdiende nachtrust, werden we om 8.00 uur ‘gewekt’. Iedereen was al lang wakker maar de Preekstoel Oude Kerk in Delfshavenzusters vonden het makkelijk voor zichzelf om ons zo lang mogelijk in bed te houden. Op de Dag des Heren mochten wij ons vrij wassen – wat een feest – om vervolgens naar boven te gaan voor het ontbijt. Omstreeks 9.00 uur liepen we naar de kerk. Niet in rijen van vier maar heel gezellig in een kleine groep; gemiddeld zo’n 30 kinderen. De “Oude Kerk” van Delfshaven was het vaste adres. Een schitterende kerk met harde houten banken. De schippersdominee, A. v.d. Most, was een heel aardige vent. Iedere zondag verwelkomde hij de schipperskinderen vanaf de kansel. Onze aanwezigheid werd door hem dus erg op prijsgesteld. De dienst duurde bijna 2 uur; een hele zit dus. Ook nu deed je kont zeer. Door de veel langere zit was je kontpijn veel erger dan tijdens de godsdienstlessen op school. Ik keek nogal eens naar de hemel maar zelfs de Heer kon mijn kontpijn niet verminderen.

Tegen 12.00 uur waren we weer teug op het schippersinternaat en kregen we een beker warme chocolademelk en aansluitend kwam het middageten alweer op tafel. Voor het zondagsmaal had zuster Vos altijd een toetje gemaakt; regelmatig met een vreselijk dik vel erop, die je bijna niet door je strot kon wringen. Ik deed het vel dan – onopgemerkt – in mijn zakdoek en gooide het later op de dag weg. De middag was gereserveerd voor het ‘uitje’ van de week. Gezellig wandelen naar de Parkhaven en haar grote Euromast. Meestal speelden we in het park een leuk spel, zoals spoorzoeken. Na het spel liepen we naar de plaats waar de buitendienst door de ‘soldaten’ van het ‘Leger des Heils’ zou gaan plaatsvinden. Veel zang en een ‘soldaat’ speelde daarbij op een accordeon en daarnaast werd enige woorden gepreekt over de Heer. Om zich goed verstaanbaar te maken gebruikte de prediker van het ‘Leger des Heils’ een megafoon. Al met al was het echt een vrolijke boel in het park en het belangrijkste was zeker dat je geen pijnlijke kont kreeg en dat kwam doordat de dienst kort was en je moest staan.

Tegen 17.00 uur arriveerde de groep weer bij het ‘gesticht’. Na het brood eten zongen we rustig en de directrice uit volle borst nog enige geestelijke liederen. Het geheel werd begeleid door een meisje dat orgelles had. Door de zang en het orgelspel was het al gauw 19.00 uur en de leiding vond het van belang dat iedereen op de Dag des Heren vroeg de koffer inging, zeker nodig na zo’n ‘zwaar’ weekeinde. De kinderen die het weekeinde hadden doorgebracht aan boord van hun ouderlijk schip moesten voor 20.00 uur binnen zijn en in bed liggen. Het ware afscheid was bij velen van het gezicht te lezen. Ook kwam er wel eens een fluitende collega binnen. Dan wist je direct al, dat hij het komend weekeinde weer kon afreizen of misschien wel al op de komende vrije woensdagmiddag. Het was altijd duidelijk voelbaar in de slaapzaal hoe de één of de ander afscheid had genomen van zijn ouders. Voor de één is het makkelijker dan voor de ander.

Eindelijk weer  eens aan boord gaan

schippersinternaat-18| Foto: Spoorweghaven | Op het schippersinternaat ging het leven voort. Tijdens buitenspelen – voorzover dat was toegestaan – had je je vriendjes. Het binnenspelen was hel anders; weer die zusters die altijd wel iets op of aan te merken hadden. Je miste veel; vooral de liefde van je ouders. Kwam je uit school dan was er geen moeder of vader die je begroten maar een zuster. Je was iedere keer te lang weg van huis, al kregen velen wel eens een brief of een kaartje van hun ouders uit onder meer Antwerpen, Bremerhaven, Duisburg, Hamburg, Mannheim, Bremen, Parijs, Frankfurt, Wilhelmshaven, Namen, Luik, Bazel. Ook zaten er jongeren op het schippersinternaat die hun ouders vaarden op een kustvaarder en die kregen kaarten en brieven uit onder meer Londen, Casablanca, Genua of Haifa. Wat je ook kreeg toegezonden, je wist dan ook dat je ouders wel aan je dachten. Iedereen keek altijd belangstellend uit naar de post, vooral als je jarig was.

schippersinternaat-05

|Foto: Tramlijn 2 naar Charlois | Na meer dan zeven weken op het schippersinternaat ‘Prinses Irene’ of in de weekenden op bezoek te zijn geweest bij familie, keek je verlangend uit naar het lijstje waarop de namen stonden vermeld van hen die het genoegen hadden om te mogen afreizen naar het ouderlijk schip.

Mijn broer en ik stonden eindelijk weer eens op het lijstje; ons schip lag afgemeerd in de Spoorweghaven, vlakbij het Stadion ‘De Kuip’. De route werd ons door de leiding van het schippersinternaat voor de zoveelste keer uitgelegd terwijl wij dat allemaal allang wisten. Eerst met lijn 15 naar het Centraal Station en overstappen op lijn 2 naar Charlois en dan uitstappen op het Stieltjesplein. En verder lopen via het Poortgebouw van de Binnenhaven naar het ouderlijk schip dat in de Spoorweghaven lag afgemeerd.

TV aan boord voor Olympische Spelen 1964

Johannes en ik reisden met de tram naar het Centraal Station en daar stopten we over op de tram richting Stieltjesplein; de eerste halte over de Koningsbruggen. De hele tramrit kost 13 cent maar dat interesseerde je niet echt. Je mocht naar je moeder en vader; dat was echt belangrijk. Vanaf de tramhalte liepen wij in ongeveer 10 minuten naar de haven, waar ons schip lag afgemeerd. Des te dichter je bij het schip kwam, des te harder ging je kleine hart kloppen. Je ouders ontvingen je op een hartelijke wijze, zoals stadse kinderen dat dagelijks ondervinden. Ik denk zelf dat de vreugde van het weerzien bij ons wat groter is geweest, omdat de begroetingen geen dagelijks ritueel was.

Mijn ouders hadden ondertussen een ander schip gekocht. Ze hadden het schip de naam van ‘Stadejo’ gegeven. De naam is voortgekomen uit de achternamen van mijn moeder en vader, respectievelijk Stam en De Jonge. Het aangekochte schip had een lengte van 52 meter en kon 500 ton laden. Tot grote verbazing van mijn broer en mij stond achterop ons nieuwe schip ook een televisieantenne. Vader was een echte sportliefhebber en zien is veelal beter dan luisteren naar meneer van Rijn van de radio. In die tijd hadden veel schippers nog geen televisie aanboord. Mijn ouders waren zeker niet één van de eersten die zo’n kijkapparaat hadden aangeschaft. De ware reden van de aanschaf – zo is later gebleken – was dat de Olympische Spelen voor het eerst via een satelliet zouden worden uitgezonden door de NTS – tegenwoordig NOS – , die werden gehouden in de Japanse hoofdstad Tokio. Ondanks de aanschaf van de televisie was het ook ’s avonds echt ouderwets gezellig aan boord.

Geen kontpijn van de kerkdienst maar auto huren bij Ravero

Op zondag ging ook alles anders aan boord dan in het ‘gesticht’. Geen kontpijn van de kerkdienst maar thee of koffie met een lekkere gevulde koek erbij. Op zondagmiddag huurde vader regelmatig een auto bij ‘Ravero’, een autoverhuurbedrijf in de Maasstad. De complete familie ging dan op bezoek bij opa en oma in Gouda. Op was een schat van een man, die al vele jaren ziek was. Ik heb mijn Opa in Gouda niet anders gekend dan dat hij ziek was. Ondanks dat gegeven was hij altijd vrolijk als we er op bezoek waren. Op een keer pakte hij zijn portemonnee om ons geld te geven voor een heerlijke ijsco. Johannes en ik haasten ons naar de cafetaria op de hoek van de Prins Hendrikstraat om ieder een flinke ijsco te kunnen kopen. Op het schip bij moeder en vader zijn of bij opa en oma dat was pas echt weer thuis zijn. Helaas is het altijd dan sneller zondagavond en begint op maandag weer het andere leven. Dat realiseerde ik me heel goed. Na de broodmaaltijd brachten moeder en vader Johannes en mij weer terug naar het schippersinternaat. Even dacht ik aan de woensdagmiddag. Het afscheid was iets minder hard; immers ons schip moest nog worden gelost en als dat eens niet zo vlot ging dan bestond de mogelijkheid dat we woensdagmiddag opnieuw naar onze ouders konden gaan. Dat zou heerlijk zijn.

Na het uitkleden en me gewassen te hebben probeerde ik de slaap te vatten. Ook nu gierden de trams weer langs het schippersinternaat. Eenzaam lag ik in me bed na te denken over het afgelopen weekeinde aan boord van het ouderlijk schip en het bezoek aan Opa en Oma. Misschien kunnen we ook de komende woensdag na de middag naar moeder en vader toe. De volgende dag op school dacht ik aan mijn ouders en misschien waren ze ons schip wel aan het lossen. Wie weet maar ik dacht bij mijzelf: ‘Waarom zit ik nu in deze schoolbank’. ‘Ik moest naar school maar als je ouders zo dicht in de buurt zijn, dan ………….’. Ik huilde een beetje op een verborgen manier en ook had ik de angst dat ons schip en mijn ouders woensdag weg zouden zijn. Mijn vriendje Bennie stootte me aan. Hij had wel gezien dat ik huilde en dat door mij geen sommen werden gemaakt. Niemand wist – ook Bennie niet – dat ik geld achtergehouden had uit mijn portemonnee. Ondertussen liep de meester richting de bank van Bennie en mij en rap waren mijn gedachten bij het maken van sommen en deed ik of ik heel druk bezig was. De meester kwam niet echt kijken want veel stond er nog niet in mijn nieuwe schrift. De dag verliep verder als alle andere schippersinternaat-22dagen op school.

Weglopen van het schippersinternaat

’s Avonds kon ik weer niet in slaap komen. Ik werd angstig dat mijn moeder en vader woensdagmiddag niet meer in Rotterdam lagen afgemeerd maar alweer varende waren naar één van de vele bekende bestemmingen. De volgende dag tijdens het lopen naar school, dook ik uit de rij achter een groot aantal struiken. Niemand mocht ook maar iets weten of iets zien. Toen de rijen met kinderen totaal uit mijn gezichtsveld verdwenen waren, deed ik waarover was nagedacht: ‘Weg van het schippersinternaat, weg van school – alleen nog maar naar ons schip’. In een hoog temp liep ik naar de Nieuwe Binnenweg. Daar aangekomen nam ik de tram naar het Centraal Station om dan te informeren naar de verbinding van de Rotterdamse Schippersbeurs. Daar zat een man van Van der Gevel & Co, meneer Van der Berg – ze noemden hem Swiebertje – die mij wel kon vertellen waar het ouderlijk schip lag te lossen. Ik moest dus de bus richting Maashaven nemen. Door de zenuwen ben ik uitgestapt bij de Rijnhaven. Aan een jonge dame vroeg de weg naar de andere haven. Binnen 15 minuten stond ik voor de Maashaven waar schepen rijen dik lagen te wachten op bevrachting. Rustig ging ik even zitten op een bankje. Eerst maar eens nadenken welke kant ik moet hebben; de graansilo’s of de afdeling bananen. De zeeboot uit een Zuid-Amerikaans land lag afgemeerd aan het einde van deze haven. Het schip van mijn ouders lag ernaast. Ik besloot om de kant van de afdeling bananen te nemen. De laatste boot zal het wel zijn moet ik wel gedacht hebben. Via een steile burg kwam ik op de zeeboot. Aan de buitenzijde kon ik zien of ons schip daar lag afgemeerd. En inderdaad dat was zo. Ik dacht wel bij mezelf: ‘Wat zullen moeder en vader wel zeggen, dat ik ben weggelopen van het schippersinternaat en ook van school; immers dat hoort er toch niet echt bij’. Ik stond er nu eenmaal en moet wel hebben gedacht: ‘Wat kan mij dat nou schelen’. Aan een matroos vroeg ik of hij voor mij de touwladder vast wilde houden. Met mijn kleine benen ging ik langzaam naar beneden. Mijn vader zag me al aankomen en riep opeens: ‘ Jongen, wat doe jij hier’. Zelf hoorde ik zogenaamd niets. Vader wachtte me onderaan de ladder op en zei: “Nou, nou, nou’. Ik begon direct te huilen en vader liep met mij naar de stuurhut waar moeder al stond te wachten. Ze ontving me met open armen. Moeder liet terstond even weten dat weglopen niet mocht. Vader ging de wal op om de directrice van het ‘hotel’ mede te delen dat ik aan boord was en niet op school. Op school hadden ze me al gemist en dat wist de directrice al. Door beiden ben ik de hele dag heerlijk verwend en werkte mee op het schip. De luiken moesten voor een gedeelte nog van het laadruim. Ik vond het uiteraard fantastisch aan boord van het m/s ‘Stadejo’ en besefte nog niet wat me boven het hoofd ging. Ik dacht dat het schippersinternaat voor mij verleden tijd zou zijn. Het tegendeel was waar. ‘s-Avonds stuurden moeder en vader me terug naar het ‘gesticht’. Een taxi vervoerde mij naar het zo bekende adres in de Coolhaven. Dat kon ook niet anders want mijn ouders hadden het te druk met het lossen van ijzer uit Dortmund. Omstreeks 19.30 uur arriveerde ik bij het schippersinternaat. Iedereen in mijn groep lag al in bed. Dat interesseerde me in het geheel niet. Ik moest wachten in de eetzaal op de directrice. Na ongeveer 10 minuten kwam ze te voorschijn, goed gegeten en met strenge ogen achter haar bril. Ik dacht bij me zelf wat zal ze te zeggen hebben maar dat viel genoeg mee. ‘Nou jongen’, zei de directrice, ‘dat was dan een extra vakantiedag en voor nu welterusten’. De directrice bleek ineens heel anders dan anders. ‘Misschien vond ze me wel aardig’, dacht ik. Later zou blijken dat zij mij toch wel erg graag mocht en dat had ik natuurlijk nooit verwacht, al liet ze mij wel weten dat problemen uitgepraat konden worden en dat met onmiddellijke ingang Johannes en ik ieder weekeinde wanneer moeder en vader niet lagen afgemeerd in Rotterdam wij naar familie of kennissen zouden gaan. Vader had met de directrice goede afspraken gemaakt. Het was echt niet zo dat ik het enige lievelingetje was , echter voor een groep kinderen had zij een voorkeur. Zonder al te veel woorden liet de directrice dat ook aan iedereen merken.

‘Niet doen, zuster, niet doen, zuster’

Rudie Dost *, een verlegen jongen viel in ongenade. Geen kind vond het eigenlijk aardig van de directrice en de andere zusters dat ze zo wreed tegen hem waren. Op een dag kreeg ik een nieuwe plaats in de eetzaal aangewezen. Ik kon Rudie direct in zijn gezicht kijken. Een makkelijke jongen met eten was ik beslist niet maar spontaan overgeven dat deed ik toch niet wanneer het eten niet zo was als thuis. Rudie daarin tegen deed dat wel; de oorzaak was mij onbekend. De directrice werd zo kwaad op deze vriendelijke jongen en zij verhief zich van haar stoel en liep naar hem toe. Zonder een woord tegen Rudie te zeggen gaf ze hem een aantal flinke klappen midden in zijn gezicht. Daarna gebood de directrice Rudie om zijn eigen braaksel op te eten. Varkens hadden het beter dacht ik bij mijzelf en de koude rillingen gingen over mijn lichaam. Hij gaf opnieuw over en opnieuw kwam de directrice naar hem toe. Rudie schreeuwde: ‘Niet doen, zuster, niet doen, zuster’. Dat hielp niets. Wederom kreeg hij klappen in het gezicht van de directrice en zij voerde hem het braaksel vermengd met braaksel. Mens onterend was het om dit te moeten aanzien. Ruim 100 kinderen waren van de daden van de directrice getuige maar niemand maakte ook maar een opmerking. Het was afschuwelijk gemeen van haar om zoiets te doen. Nooit had ik van de directrice dergelijke maatregelen verwacht. Van de ene ellende kwam de andere. Rudie piste nog in zijn bed. Misschien deed hij dat expres maar er kon ook een medische factor aanwezig zijn, dat weet ik niet. Ondanks zijn 11 jaar had hij nog een zeiltje onder zijn molton. De leiding van het ‘gesticht’ had er in ieder geval geen boodschap aan. Zuster Annie walgde op een gegeven moment van dat pissen in bed. Op een morgen werden de 60 jongens gewekt door die zuster. Nadat ze het licht aan had gedaan, controleerde ze het bed van Rudie. Zoals altijd was hij ook nu weer nat. In het bijzijn van alle jongens moest hij zich uitkleden. Helemaal naakt werd hij vervolgens door zuster Annie de slaapzaal uitgeschopt, de trap opgeschopt en in de douche gezet. Met bijna ijskoud water moest hij zich reinigen van de pis. Rudie protesteerde terecht wel tegen de handelwijze van zuster Annie en dat had tot gevolg dat hij ook van haar klappen in zijn gezicht kreeg. Ik kon hem heel duidelijk horen gillen boven omdat ik vlak bij de trap sliep. Ondertussen hadden wij ons al gewassen en werd Rudie uit de badkamer geroepen door zuster Annie. schippersinternaat-24De anderen gingen naar boven voor het ontbijt terwijl Rudie drijfnat en volledig naakt de trap afkwam. Hij kreeg deze ochtend geen eten omdat zuster Annie meende dat wanneer hij niet at en dronk Rudie wel droog zal blijven. De hele handelwijze van ook deze zuster was toch walgelijk. Mensen die op deze manier met jeugdigen zoals ik omgingen waren geen mensen, dat waren schoften; beestachtige schoften. En die mensen moesten je moeder en vader vervangen. Ja dat was wel hun opdracht en daarvoor werden ze wel betaald. Het kon natuurlijk niet uitblijven dat ik het schippersinternaat ben gaan haten maar gelukkig was ik in het weekeinde ergens anders. Dat was maar goed ook, want de door-de-weekse-dagen legden een enorme psychische druk op mijn persoontje. Te meer daar Rudie nog veelvuldig klappen in zijn gezicht heeft moeten incasseren die de directrice uitdeelde bij hem doordat hij maar bleef overgeven en werd hij veelvuldig de douche ingeschopt schippersinternaat-26door één van de leiding als hij ’s morgens nat was. * Rudie Dost is een gefingeerde naam.

Schipperskinderen op de televisie

| Foto: Piet Schuilenburg op de VARA-TV | Een aantal kinderen van het schippersinternaat werden op een dag van school gehaald voor opnamen voor de VARA-televisie over het schippersleven. Naar het internaat werden geroepen Nelleke de Jonge, Piet Schuilenburg en mijn broer Johannes en ik. We werden allemaal enigszins geschminkt en daarna ging een redacteur van de VARA met ons praten over alles over het zijn van een schipperskind. Ook vroegen wij waar het programma overging. Er werd keurig verteld dat het een documentaire zou gaan worden over het leven van schippers en dat daarbij ook de kinderen horen die verblijven op een internaat. Zo gezegd en zo gedaan en alle aanwezige schipperskinderen konden hun zegje doen. De opnames duurden circa 30 minuten en werden des gevraagd twee maanden later worden uitgezonden om 9.00 uur in de avond. Geen van de deelnemende kinderen hebben de documentaire ooit mogen zien. De leiding was destijds van mening dat iedereen op tijd naar bed moest gaan omdat de volgende dag gewoon weer een schooldag is maar  Zr. A. Stok en zr. Annie hebben het wel gezien bij een schippersechtpaar dat met hun schip  al jaren afgemeerd achter het internaat lag. Bij navraag bij de VARA-TV heb ik vernomen dat de omroep de opnames in de vorige eeuw al zijn vernietigd.

Echt plezier in de late avond

Voor het maken van echt plezier werd door ons als schipperskinderen de late avond genomen. Een nieuwe jongen – Appie West – hield wel van een lolletje. Hij – en de rest van de jongens trouwens ook – vond het altijd leuk om lol te gaan trappen. Ondanks mijn haat gevoelens jegens het schippersinternaat kon ik daar natuurlijk wel om lachen. Als kind ben je snel te beïnvloeden. Het verdriet, de eenzaamheid en angst maakte plaats voor de lachparade. De hoofdkussens vlogen de was-riolering in; ze waren drijfnat. Johannes stemde zijn radio op Radio Veronica af, zodat iedereen kon meezingen met de hits van toen en dat werd erg op prijs gesteld. Ook werden er tal van opmerkingen gemaakt over de zusters en het biervat van een directrice. Ook gluurden we graag door het sleutelgat van de kamer van de zuster, die was gesitueerd achterin de slaapzaal van de jongens. Het is voorgekomen dat een zuster naakt in haar kamer stond en dat was dan wel even ‘smullen’. Wow. Helaas hebben we ook mee moeten maken dat de zuster ineens de deur opende, terwijl er werd gegluurd door het sleutelgat. Het ‘bal’ op de slaapzaal duurde altijd maar kort want de leiding greep altijd snel in en strafte op voor haar gepaste wijze. Een aantal kinderen werden tot middennacht in een hoek van de eetzaal gezet. Erg origineel gevonden maar het hielp niet veel. Het loltrappen gebeurde altijd als de directrice afwezig was. De volgende dag kregen we tijdens het ontbijt wel het nodig van haar te horen en vooral de mededeling dat ‘het deze week niet meer voor mocht komen kwam hard aan’. Volgende week is weer een andere week en dan was het opnieuw ‘bal’ en dat had je toch nodig; immers de leiding presenteerde zich nooit met ontspannende activiteiten. Die wilden iedereen het liefst in een hoekje plaatsen en wel op een wijze dat je voor de duur dat je in het ‘gesticht’ te gast was er niet meer uit zou komen. Dat is bij geen enkel kind gelukt, zelfs bij Rudie Dost niet.

schippersinternaat-27Einde van een bewogen tijdperk

Ondertussen was ik twaalf jaar geworden en bijna vijftien jaargetijden op het schippersinternaat ‘Prinses Irene’ in Rotterdam te hebben doorgebracht, kwam er voor mij een vreugdevol bericht. Mijn broer Johannes en ik zouden het schippersinternaat gaan verlaten omdat vader het schip wilde verkopen. En dat betekende ook dat wij niet naar het schippersinternaat ‘Koningin Wilhelmina” zouden gaan en mijn broer Johannes naar de technische school zou gaan en ik naar de midden school in Rotterdam maar elders. We gingen in Arnhem wonen. Ik begon aan een nieuw leven, een leven die ik lange tijd niet heb gekend; samen met mijn broer Johannes en mijn moeder en vader.

Naschrift: De beleving van een schipperskind

Op enkele passages na – die zijn bijgevoegd in 1998 – heb ik dit artikel “De beleving van een schipperskind” geschreven in 1983, toen ik woonachtig was in Heerde. De verleden momenten op het schippersinternaat Prinses Irene in Rotterdam hebben psychische problemen bij mij veroorzaakt. En wel in die mate dat ik terecht ben gekomen bij een psychiater, die vast stelde dat ik een internatensyndroom had. Door de goede begeleiding van die psychiater ben ik er volledig uitgekomen. Maar “De beleving van een schipperskind” op het schippers- internaat Prinses Irene sleep ik de rest van mijn leven mee. Vijftien jaar later – 1998 – heb ik Zr. A. Stok in haar woonplaats Barendrecht gebeld vanuit mijn nieuwe woonplaats Meppel. Ik heb haar destijds gevraagd of zij bereid is mijn beleving van die 1234 dagen via de telefoon aan te horen.  Zij stemde toe en heb het haar voorgelezen. Ze heeft alle genoteerde zaken ontkend. Dat is niet gebeurd zei ze tegen mij door de telefoon; met name niet het ‘gedoe’ met Rudie Dost. En het was geen gesticht, meldde ze snauwend door de telefoon tegen mij.  Wat je hebt opgeschreven zijn leugens, zo stelde zei, en ze vervolgde dat ze met een leugenaar niet meer wilde praten. En beëindigde het gesprek onmiddellijk zonder afscheid te nemen. Op deze manier bevestigde zij mijn inziens haar beleid die ik met haar en 100 andere schipperskinderen 1234 dagen heb beleefd op het schippersinternaat Prinses Irene in Rotterdam van 1 maart 1962 tot 17 juli 1965.

2 Comments

  1. Fred.v.d.Hek

    Helaas heb ik ook op dit internaat gezeten 1957/58 en door de straffen die ik moest ondergaan heb ik alles tegen mijn moeder gezegd en die heeft mij meteen eraf gehaald .achteraf besefte ik wel dat het voor mijn ouders lastig was om mij onder te brengen omdat ik toch naar school moest .maar alles is goedgekomen.mvg Fred.v.d.Hek

  2. Myra

    Zelf 10 jaar op een internaat in Bpdegraven gezeten. Bij de zusters Franciskanessen. Mijn vader is in Den Briel en mijn moeder in Rotterdam bij dezelfde zusters van die orde. Een zuster was eerst in Rotterdam bij mijn moeder en later in Bodegraven bij mijn zus en mij. De zusters waren geen echte pedagogen. Aanrakingen, een aai over je bol, armen om een vriendin waren allemaal uit den boze. Veel heimweh. Na iedere vakantie weer tranen met tuiten. Een enkele keer een weekend tussen de grote vakantie, kerstvakantie, paasvakantie, grote vakantie. Als je ouders niet net moesten varen of te ver weg waren. Als kind weet je niet beter en accepteer je heel veel als gewoon. Maar achteraf was het afschuwelijk. Maar je werd er wel zelfstandig van en leerde je je eigen boontjes te doppen. Mijn kinderen nooit naar kostschool!

Welkom bij het Holland Magazine