Ard Schenk en Kees Verkerk | Bijzonder succesvolle schaatsers

Geert de Jonge | Columnist

Kees Verkerk | geboren in Maasdam op woensdag 28 oktober 1942 | en Ard Schenk | geboren in Anna Paulowna op zaterdag 16 september 1944 | zijn de twee succesvolste schaatsers in de tweede helft van de zestiger jaren en begin jaren zeventig van de vorige eeuw geweest. Miljoenen schaatsfans waaronder ik zaten voor de televisie om de diverse kampioenschappen te volgen.

Kees Verkerk | Hij brak in het schaatsen internationaal door bij het winnen van de zilveren medaille op de 1.500 meter bij de Olympiche Winterspelen van 1964 in Innsbruck. Het was het begin van een schitterende carrière. Wereldkampioen vierkamp in 1966 en 1967, Europees kampioen in 1966, Olympisch kampioen 1.500 meter in 1968, zilver op de 5.000 meter in 1968 en zilver op de 10.000 meter in 1972. Vier keer Nederlands kampioen | 1966, 1967, 1969 en 1972 |. In totaal verbeterde hij in de loop der jaren twaalf keer een wereldrecord op de 1.500, 5.000 en 10.000 meter. In 1966 en 1967 werd hem de Oscar Mathiesen-trofee uitgereikt, de Oscar op schaatsgebied.

Ard Schenk | In 1965 brak hij internatonaal door met de derde plaats op de Wereld Kampioenschappen allround. Hij werd wereldkampioen in 1970, 1971 en 1972, Europees kampioen in 1966, 1970 en 1972 en Nederlands kampioen in 1965, 1968 en 1970. Hij behaalde de zilveren medaille op de 1.500 meter bij de Olymissche Winterspelen van 1968 in Grenoble. Bij de WK sprint werd hij in 1971 en 1972 derde. Grote indruk maakte hij op de Olympische Winterspelen van 1972 in Sapporo toen hij zegevierde op de 1.500, 5.000 en 10.000 meter.

Een opmerkelijke val pal na de start van  de 500 meter beroofde hem van zijn kansen op een vierde gouden medaille.

Ard Schenk zelf achtte zijn wereldtitels als allrounder overigens van hogere waarde dan zijn Olympische medailles. Hij brak bovendien enkele psychologische barrières Ard Schenk was de eerste die onder de 2 minuten reed op de 1.500 meter en de eerste onder de 15 minuten op de 10.000 meter. Aan het eind van het seizoen 1972 stapte hij, samen met veel andere topschaatsers, over naar het profcircuit en werd ook daar nog eenmaal wereldkampioen.

Tot 1976 stond Ard Schenk nog eerste op de wereldranglijst, de zogenaamde Adelskalender genoemd. Het is de wereldranglijst aller tijden voor het allround schaatsen, samengesteld aan de hand van de persoonlijke records op de afstanden 500, 1.500, 5.000 en 10.000 meter. Drie keer werd hem de prestigieuze Oscar Mathosen trophee toegekend in de jaren 1970. 1971 en 1972. Als chef de mission leidde hij de Nederlandse ploeg naar de Winterspelen van 1992, 1994 en 1998.

In het begin was Kees Verkerk Ard Schenk psychologisch een beetje de baas. Ard Schenk | afkomstig uit het Noord Hollandse Anna Paulowna | was een stille binnenvetter en een ietwat verlegen jongen die niet goed wist wat hij met die media-aandacht aan moest. Kees kwam uit Puttershoek waar zijn vader een café had. Hij was dus wel gewend om met veel mensen om te gaan en hij genoot juist van de aandacht.

Bovendien was hij een meester in het psychologisch oorlogsvoeren tegen zijn tegenstander, waarmee hij probeerde hun concentratie te verstoren. Bij het Europese Kampioenschap van 1967 in het ijskoude Finse Lahti meldde hij zich bij de diverse afstanden pas op het allerlaatste moment aan de start. Zijn tegenstanders waren dan al vernikkeld van de kou. Datzelfde spel speelde hij ook met zijn grote rivaal Ard Schenk. Daarmee creëerde hij een psychologisch overwicht op hem. Tijdens een groot toernooi sliepen Ard en Kees altijd samen op één kamer. Pas toen hun schaatscoach Leen Pfrommer besloot om ze uit elkaar te gaan begon Ard Schenk aan een indrukwekkende opmars. Later zei Ard Schenk hierover: ‘Ik wist lange tijd niet wat voor houding ik moest aannemen. Ik zag dat ‘onze jongens’-idee niet zitten. Ik dacht vaak: sodemieter lekker op. Het was het onvermogen van mezelf er mee om te gaan. In die periode heb ik veel van Kees geleerd. Hij vond al die aandacht juist fantastisch. Nog steeds. Als hij achter zijn orgel klimt, is hij in zijn element’.

Er werd toen nog gereden op buitenbanen, zoals in het befaamde Bislettstadion in het Noorse Oslo. Heel Nederland en ook in mijn ouderlijk huis hing de hele familie voor de meestal zwart-wit televisie als er schaatswedstrijden waren. Aan koken kwam men niet toe, dus werd de maaltijd vaak soep met brood. Die werd genuttigd op je schoot. Geen minuut mocht ik missen, zelfs niet van de 10.000 meter die toch meer dan een kwartier duurde. Er werden hele tabellen met rondetijden bijgehouden. En de krant zorgde dat elke Nederlander dat kon doen. In die tijd had je nog niet van die gestroomlijnde schaatspakken. Op hun hoofd droegen de schaatsers een gebreid mutsje. En heel Nederland zat met een brok in zijn keel toen Kees Verkerk voor het eerst een soort berenmuts op had toen hij gehuldigd werd, want die had hij van zijn toen pas gestorven moeder gekregen. Onvergetelijk herinneringen heb ik aan de tijd met Ard en Keessie.

Welkom bij het Holland Magazine